Nieuws

 
   
’Vrijheid van meningsuiting’
geplaatst: 6 januari 2008
Het jaar 2007 heeft de problemen die we in ons land met de islam hebben, geen stap verder gebracht. Het kabinet, verdiept in eigen besognes van secundaire aard, laat zelden iets van zich horen. De enkele minister die een standpunt durft innemen, zoals Ella Vogelaar, wordt meteen neergesabeld. Interessante voorstellen zoals neergelegd in het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over identificatieprocessen, worden zonder discussie buiten de orde verklaard. De overzichtsstudie van Paul Scheffer, na zeven jaar voltooid, verkoopt goed maar brengt geen enkel initiatief van belang voort.

Tegelijkertijd werd de reeks van uitgelokte incidenten ook dit jaar weer onbekommerd voortgezet. Na de klucht rond het jonge raadslid Ehsan Jami volgde onlangs het eveneens voorgekookte relletje rond de fotografe Sooreh Hera, terwijl Geert Wilders – politicus van het jaar 2007! – inmiddels het volgende pesterijtje in zijn hetze-offensief aankondigt.

De gevolgen van deze onevenwichtigheid tussen gezaghebbende politiek en onverantwoorde anti-religieuze initiatieven zijn ernstiger dan menigeen aanneemt. Geleidelijk maar onmiskenbaar zet zich bij de meerderheid van de bevolking de overtuiging vast dat ’de islam’ een gevaar voor de toekomst van ons land en onze democratie vormt. Het betekent niet minder dan het ontstaan van een diepe tweedeling in onze samenleving, dieper dan voorheen ooit is voorgekomen.

Deze maatschappelijke desintegratie wordt in belangrijke mate veroorzaakt door het misbruiken van wat de vrijheid van meningsuiting wordt genoemd. Centraal staat daarbij de eenvoudige stelling dat alle ellende met de islam kan worden herleid tot de onwil van de moslims die vrijheid zonder mitsen en maren te aanvaarden.

Wat het meest verbaast is het feit dat men deze gebarsten grammofoonplaat kan blijven afdraaien zonder veel kritiek te ontmoeten. Daarom als jaarafsluiting nog maar eens puntsgewijs de meest voorkomende interpretaties op een rij gezet.

Ten eerste: de vrijheid van meningsuiting blijkt niet onbeperkt te zijn. Afgezien van het grondwettelijke verbod op discriminatie, wordt maatschappelijk algemeen geaccepteerd dat antisemitische uitlatingen ontoelaatbaar zijn: joden behoeven niet te dulden wat moslims wordt aangedaan.

Er zijn voor dit specifieke taboe redenen aan te voeren, maar het blijft een feit dat inzake vrijheid van meningsuiting naar maatschappelijke groepen onderscheid wordt gemaakt.

Ten tweede: wie klachten heeft kan naar de rechter stappen. Dit is een laffe uitvlucht want iedereen weet dat de rechterlijke macht momenteel met de armen over elkaar blijft zitten. Nog maar een decennium geleden werden beledigende uitspraken zoals nu dagelijkse kost zijn, afgestraft, zelfs met gevangenisstraffen. Dat is verleden tijd.

Ten derde: het is verantwoord de grenzen van de wet te zoeken, en dus is het beledigen en vernederen van burgers en hun religie alleszins aanvaardbaar.

De onbeschoftheid van dit argument, dat merkwaardig genoeg vrij algemeen wordt gedeeld, wordt onmiddellijk duidelijk voor wie beseft dat in een beschaafde samenleving niet de wet maar de moraal en het fatsoen de omgang tussen burgers en groepen bepalen – of behoort te bepalen.

Ten vierde: ook christenen en christelijke waarden worden belachelijk gemaakt, dus waarover beklagen moslims zich? Hierin ligt de merkwaardige logica besloten dat onacceptabel gedrag aanvaardbaar wordt indien velen eronder lijden. De redenering lijkt beter om te keren: gelukkig dat moslims zoveel waarde hechten aan hun eer en hun erfgoed dat ze bij onnodige beledigingen oprecht kwaad worden. De vaak gemakzuchtige lankmoedigheid van christenen en andere minderheden behoeft niet als een verdienste te worden aangemerkt.

Ten vijfde: het effect van verbale agressie is gunstig. Om te integreren, is het goed moslims ongezouten op de hoogte te brengen van de laatdunkende mening die wij over hen hebben.

Dat die beledigingen vaak tot gewelddadige bedreigingen van islamitische zijde hebben geleid, wordt kennelijk vergeten. En dat een onbekend aantal gematigde moslims er – terecht – door zal worden getergd, mag veilig worden aangenomen.

Ten slotte wellicht de meest onbeschaamde houding: wat anderen vinden gaat ons niet aan. Wij, beschaafde westerlingen en verlichte geesten, wensen over mensen met een afwijkende religie en cultuur te zeggen wat ons goeddunkt. Zo zijn onze manieren en wie ze hinderlijk vindt moet maar opkrassen. Commentaar overbodig.

Het is in de afgelopen jaren allemaal al honderd keer gezegd. Veel effect zal het ook deze keer niet hebben, maar er is sinds deze week toch een lichtpuntje aan te wijzen, nu Geert Wilders tegenover de koningin heeft erkend dat hij voor het verpesten van ons publieke klimaat de eerste verantwoordelijkheid draagt.

van Doorn
Trouw.nl
29-12-2007

 


Doorsturen

|


Print

|

1665 keer geprint
4662 keer gelezen

|

Ander nieuws

Nieuws toesturen