Vraag & Antwoord

 
   
Aboe Dharr en afgedwaalde groeperingen
geplaatst: 20 november 2006 14:57

Vraag:

Aboe Dharr overleverde aan Aboe al-Aswad dat de Profeet (vrede zij met hem) heeft gezegd: “…Er is geen dienaar die ‘laa ilaaha illAllah’ (er is geen god waard aanbeden te worden, behalve Allah) zegt en hierop overlijdt (gelovende hierin), of hij zal het Paradijs binnentreden. Ik (Aboe Dharr) vroeg aan de Profeet (vrede zij met hem): “Ook al begaat hij ontucht en steelt hij?” Waarop de Profeet (vrede zij met hem) mij bevestigend antwoordde en zei: “Ook al pleegt hij ontucht en steelt hij.” Ik herhaalde (uit verbazing) mijn vraag en vroeg: “Ook al pleegt hij ontucht en steelt hij?” Wederom beantwoordde de Profeet (vrede zij met hem) mij bevestigend en zei: “Ook al pleegt hij ontucht en steelt hij.” Dit herhaalde zich tot drie keer toe en bij de vierde keer zei hij (vrede zij met hem): “Of Aboe Dharr het nu wil of niet.” Vervolgens vertrok Aboe Dharr, terwijl hij het volgende in zichzelf herhaalde: “Of Aboe Dharr het nu wil of niet.”
                                                                                                                    
(al-Boechari en Moeslim)

Weledele Sheich, hoe kunnen we de bovengenoemde overlevering, in overeenstemming brengen met het feit dat er vele afgedwaalde groeperingen en hypocrieten onder de moslims zijn, die ook overlijden, terwijl zij geloven in deze getuigenis?

Antwoord:

Alle lof zij Allah, de Heer der werelden. En moge de vrede en zegeningen rusten op onze geliefde Mohammed, zijn familie, zijn metgezellen en degenen die hen in het goede volgen tot aan de Laatste Dag.

De overlevering van Aboe Dharr die je aanhaalt, betreft een persoon die een waarachtige gelovige is, maar enkele kleine en grote zonden begaat, zoals bijvoorbeeld stelen en dergelijke. Volgens Ahl us-Soennah wal-Djamaacah is het Paradijs de bestemming van elke gelovige persoon, ook al begaat hij een grote zonde. De bestraffing alvorens het betreden van het Paradijs, is afhankelijk van de Wil van Allah. Als Hij wil, bestraft hij en als Hij wil, vergeeft Hij. Het bewijs hiervoor staat in het volgende vers (interpretatie van de betekenis):

“Voorwaar, Allah vergeeft niet dat aan Hem deelgenoten worden toegekend, maar Hij vergeeft daarbuiten aan wie Hij wil.”                                                            (Soerat an-Nisaa: 116)

Zolang de zonden van alle gelovige zondaars, hoe groot die ook zijn, geen Koefr (ongeloof) inhouden, dan is het Paradijs voor hen niet verboden verklaard. Hun bestemming zal dan ook uiteindelijk het Paradijs zijn. Echter, zij kunnen voor hun zonden bestraft worden door Allah, of zij kunnen er voor worden vergeven. Dit is dus afhankelijk van Zijn Wil.

Wat betreft de hypocrieten en de nieuwlichters (Ahl ul-bidac) wiens nieuwlichterij hen buiten het geloof plaatst, zij zeggen in werkelijkheid geen ‘laa ilaaha illAllah’ met hun harten. Want dit soort hypocrisie dat tot ongeloof leidt is tegenstrijdig met de zuivere toewijding.

Indien zij ‘laa ilaaha illAllah’ zeggen en tegelijkertijd geloven dat er geen andere heer of god bestaat, dan Allah, maar daarentegen beweren dat cOmar, Aboe Bakr en/of alle metgezellen na de dood van de Profeet (vrede zij met hem) buiten het geloof zijn getreden of dat zij zich schuldig maken aan andere nieuwlichterijen, die iemand buiten het geloof doen treden, dan kan er over deze personen gezegd worden dat hun geloofsgetuigenis niet zuiver is. Tengevolge hiervan vallen zij niet onder de volgende uitspraak van de Profeet (vrede zij met hem): “Degene die getuigt van ‘laa ilaaha illAllah’ of ‘laa ilaaha illAllah’ zegt, zal het Paradijs binnentreden.”                                                         (al-Boechari en Moeslim)

Zuivere toewijding is dus een eis voor de geloofsgetuigenis.  Lees als bewijs hiervoor dan ook de volgende Woorden van Allah over de hypocrieten (interpretatie van de betekenis):

“…Om door de mensen gezien te worden. En zij gedenken Allah slechts weinig.”

(Soerat an-Nisaa: 142)

Ook zegt Allah over hen (interpretatie van de betekenis):

“Voorwaar, de huichelaars zullen in de laagste verdieping van de Hel zijn: jij zult nooit en te nimmer een helper voor hen vinden.”                                                            (Soerat an-Nisaa: 145)

Tevens zegt Allah over hen (interpretatie van de betekenis):

“Wanneer de huichelaars tot jou komen, dan zeggen zij: “Wij getuigen dat jij zeker de Boodschapper van Allah bent.”

Het betreft hier slechts een getuigenis met de tong, want Allah zegt vervolgens in hetzelfde vers (interpretatie van de betekenis):

“En Allah weet dat jij zeker Zijn Boodschapper bent en Allah getuigt dat de huichelaars zeker leugenaars zijn.”                                                                                     (Soerat al-Moenaafiqoen: 1)

Met andere woorden, zij liegen wat betreft hun uitspraak: “Wij getuigen dat jij zeker de Boodschapper van Allah bent.” Zij benoemen weliswaar Allah en de Profeetschap, terwijl hun harten leeg zijn van datgene wat zij benoemen. 

Sheich Mohammed ibnoe Saalih al-cOethaymien

 
 


Doorsturen

|


Print

|

484 keer geprint
3763 keer gelezen

|

Meest gelezen

Nieuwe vragen