Vraag & Antwoord

 
   
Moet ik een nieuwlichter mijden?
geplaatst: 2 november 2008
Vraag:
 
Hoe dient een praktiserende moslim om te gaan met een nieuwlichter (Moebtadic)? Is het mijden van deze persoon toegestaan?
 
Antwoord:
 
Alle lof zij Allah en vrede en zegeningen zij met Zijn Boodschapper.
 
Nieuwlichterij is op te splitsen in twee categorieën:
 
  1. Nieuwlichterij die de pleger ervan buiten de perken van de Islam doet treden.
  2. Nieuwlichterij die te classificeren is als zonde.
 
Op ons rust in beide gevallen de plicht om de nieuwlichter uit te nodigen naar datgene wat correct en juist is. Dit zonder de frontale confrontatie met hem aan te gaan, behalve ingeval hij zich hoogmoedig opstelt en de waarheid weigert te accepteren. Allah, de Verhevene, zegt tegen Zijn Profeet -vrede zij met hem- (interpretatie van de betekenis):
 
“En bespot niet degenen die zij naast Allah aanroepen, zodat zij niet zonder kennis Allah onrechtmatig bespotten.”
(Soerat al-Ancaam: 108)
 
Om te beginnen dienen wij deze persoon uit te nodigen naar de waarheid, door deze te verduidelijken middels bewijzen. Oorspronkelijk zal eenieder de waarheid moeiteloos aanvaarden, mits zijn natuurlijke aanleg niet is vertroebeld. In geval van koppigheid en hoogmoed dienen wij zijn valse noties bloot te leggen. Het is namelijk een plicht om dit soort zaken op te helderen zonder in onnodig getwist te vervallen.
 
Het mijden van deze mensen is afhankelijk van de ernst van de gepleegde nieuwlichterij. Indien deze de persoon buiten de oevers van de Islam plaatst, dan mijden wij hem. Gaat het daarentegen om nieuwlichterij die slechts als zonde wordt beschouwd, dan dient er een overweging te worden gemaakt. Indien het mijden van deze persoon voordelen met zich meebrengt, dan kunnen wij hiertoe overgaan. Indien dit niet het geval is, wordt geen toevlucht tot dit middel gezocht.
 
Een basisbeginsel waar rekening mee gehouden dient te worden is dat een moslim zijn broeder niet mag mijden. Dit uitgaande van de volgende woorden van de Profeet (vrede zij met hem): “Het is voor een moslim niet toegestaan zijn broeder langer dan drie dagen te mijden.”
(al-Boekhaari)
 
Dit verbod heeft betrekking op iedere moslim, inclusief de zondaar. Het mijden van een persoon gebeurt slechts als hier een voordeel in zit en fungeert dan als geneesmiddel. Leidt uitsluiting er juist toe dat de nieuwlichter voortschrijdt in zondig gedrag, dan zien wij hiervan af.
 
Als tegenargument zou door sommigen het volgende aangevoerd kunnen worden: “Waarom heeft de Profeet (vrede zij met hem) Kacb ibnoe Maalik en twee andere metgezellen dan gemeden, nadat zij nalieten deel te nemen aan de slag van Taboek?”
 
Het antwoord hierop luidt als volgt: “De opdracht van de Profeet (vrede zij met hem) om dit drietal te mijden droeg een groot voordeel met zich mee. Zij werden hierdoor namelijk aangesterkt in hun geloof. In zo’n mate dat toen Kacb ibnoe Maalik een brief ontving van de koning van Ghassaan, waarin laatstgenoemde zijn verontwaardiging uitsprak over de disciplinaire maatregel die Kacb moest ondergaan en waarin hij uitgenodigd werd om zich bij hem te voegen, hij dit weigerde en resoluut de brief verbrandde.
 
Kortom, het mijden van dit drietal wierp zijn voordelen af. Het allergrootste voordeel van dit alles was nog wel een aantal Koranverzen dat geopenbaard werd en tot aan de Dag des Oordeels gereciteerd wordt. Allah zegt namelijk (interpretatie van de betekenis):
 
“Waarlijk, Allah heeft het berouw van de Profeet aanvaard en van de uitgewekenen en de helpers die hem volgden in het uur van nood, nadat de harten van een groep van hen bijna geneigd was (zich af te wenden). Daarna aanvaarde Hij hun berouw. Waarlijk, Hij is voor hen meest Genadig, meest Barmhartig. En (ook) tegenover de drie die waren achtergebleven totdat de aarde met (al) haar uitgestrektheid, voor hen te nauw werd en haar benauwdheid voelden en zij ervan overtuigd waren dat er geen toevluchtsoord was tegen de (bestraffing van) Allah, behalve bij Hem. Daarna aanvaarde Hij hun berouw opdat zij berouwvol zouden blijven. Voorwaar, Allah is Vergevensgezind, meest Barmhartig.”
(Soerat at-Tauwbah: 117-118)
 
Vrede en zegeningen zij met de Boodschapper van Allah.
 
Sheich Mohammed ibnoe Saalih al-cOethaymien
Madjmoec Fataawaa wa Rasaa’il, boekdeel 2, hoofdstuk innovaties
 


Doorsturen

|


Print

|

448 keer geprint
4096 keer gelezen

|

Meest gelezen

Nieuwe vragen