|
16:43
Den Haag | Maghrib
gebedstijdMiddel 13gebedstijd
Middel 7
06:18
Middel 6
08:19
Middel 5
12:39
Middel 2
14:22
Middel 4
16:43
Middel 3
18:37
Alle gebedstijden
Een reciteur inhuren bij overlijden

Vraag:

Wanneer iemand onder ons komt te overlijden, vragen wij de Imam om gedurende vijf dagen de Koran te reciteren. Naderhand slachten wij (een schaap of geit) en verdelen dit onder de mensen. Dit was de gewoonte van de mensen vóór ons en daarom hebben wij dit voortgezet. Wat is de regelgeving met betrekking tot deze handeling?

Antwoord:

Dit is een verboden innovatie. Er is geen basis in de Islam die het inhuren van een reciteur – om de Koran voor de duur van vijf dagen na het overlijden van een zieke persoon te reciteren – ondersteunt. Hier zullen de levenden noch de doden van profiteren. Onze pure en zuivere religie heeft ons uitgelegd wat er moet gebeuren met de overledene. Zo dient de overledene voorbereid te worden door zijn lichaam te wassen, hem (in een lijkengewaad) te hullen, het dodengebed voor hem te verrichten en hem vervolgens te begraven. Ook kan men smeekbedes voor hem verrichten, de Hadj en de cOemrah namens hem doen, liefdadigheid uitgeven namens hem en namens hem offeren tijdens de offerperiode (na cIed ul-Adhaa). Dit is wat toegestaan is om te doen voor de overledene.

Wat betreft het inhuren van iemand om de Koran te reciteren voor een bepaald aantal dagen en het slachten (van een schaap of geit) na het voltooien van de recitatie zijn allemaal een extra verzwaring die tot de innovaties en afwijkingen behoren. Bovendien zal dit de levenden noch de doden baten. Het behoort juist tot de schadelijke en geïnnoveerde daden, en er is geen beloning voor de persoon die wordt ingehuurd om de Koran te reciteren, omdat hij niet reciteert om daarmee beloond te worden voor de recitatie, maar juist reciteert om de financiële voordelen (die hij uitbetaald krijgt) te verkrijgen. En daden van aanbidding worden niet gedaan voor financieel gewin.

Sheikh Saalih ibn Fawzaan al-Fawzaan
(al-Moentaqaa min Fataawa Sheikh Saalih al-Fawzaan, boekdeel 2, blz. 160, fatwa nr. 138)