Ibn ʿAbdil-Barr en de letterlijke interpretatie van de Eigenschappen van Allah

Er wordt door sommige experts op het gebied van ʿAqiedah beweerd dat de grote imam en hadiethgeleerde Aboe ʿOmar Yoesoef ibn ʿAbd Allah ibn Moḥammad — bekend Ibn ʿAbdil-Barr al-Qoertoebie al-Maalikie — tot de school van Ta’wiel (rationele interpretatie) of Tafwieḍ (het volledig overlaten van de betekenis aan Allah) zou behoren. Deze opvatting is echter onjuist. Ibn ʿAbd al-Barr behoort tot de prominente vertegenwoordigers van Ahl us-Soennah wal-Djamaaʿah in de Maghreb.

En de kenmerken van hun methodiek komen duidelijk naar voren in zijn werken en theologische uiteenzettingen. Dit is allereerst te danken aan Allah, en vervolgens aan zijn diepgaande kennis van de overleveringen van de Profeet (vrede zij met hem) en zijn grote zorg om de uitspraken van de vroege generaties nauwkeurig te verifiëren. Zijn werken zijn uitgegroeid tot standaardwerken binnen de islamitische traditie, in het bijzonder zijn twee monumentale boeken: ‘at-Tamhied’ en ‘al-Istidhkaar’. In kwesties betreffende de Namen en Eigenschappen van Allah was hij duidelijk geworteld in de methodiek van Ahl us-Soennah. Dit blijkt onder meer uit zijn standpunt dat de openbaringsteksten op dit gebied overeenkomstig hun letterlijke betekenis moeten worden aangenomen. Dat komt op verschillende manieren tot uiting:

1. Zijn afwijzing van theologische Ta’wiel

Ibn ʿAbd al-Barr benadrukt herhaaldelijk dat men zich moet vasthouden aan de Koran en de Soennah, en zich moet onthouden van speculatieve interpretaties. Hij beschouwt dit als een fundamenteel principe. Zo zegt hij: “Het doorslaggevende bewijs bij meningsverschillen over kwesties waarvoor geen expliciete tekst bestaat, is de Soennah van de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem).”

(at-Tamhied, boekdeel 22, blz. 40)

En elders zegt hij: “Alle leiding is te vinden in het volgen van het Boek van Allah en de Soennah van Zijn Boodschapper, die het Boek van Allah toelicht.”

(at-Istidhkaar, boekdeel 6, blz. 129)

Hij citeert instemmend Ibn Khoewaiyz Mindaad al-Maalikie, die stelde dat volgens Imam Maalik en de geleerden van de Maalikie wetschool “de lieden van begeerten” de beoefenaars van Kalaam (speculatieve theologie) zijn; dat elke moetakalliem (moslimfilosoof) tot de mensen van innovatie behoort. Dit ongeacht hij nu Ashʿarie is of niet en dat zijn getuigenis niet wordt aanvaard, terwijl hij wordt gemeden en gedisciplineerd vanwege zijn innovatie. Vervolgens geeft Ibn ʿAbd al-Barr zijn commentaar: “In alle geloofszaken betreffende de Namen en Eigenschappen van Allah geldt niets anders dan wat expliciet in de Koran staat, authentiek van de Profeet is overgeleverd, of waarover consensus binnen de gemeenschap bestaat. Wat in dit domein via enkele overleveraars (Ahaad[1]) is overgeleverd, wordt aanvaard en daarover wordt niet gedebatteerd.”

(Djaamiʿ Bayaan al-ʿIlmi wa Fadlih, boekdeel 2, blz. 96)

Uit dit citaat blijkt duidelijk:

  • zijn afwijzing van Ta’wiel en zijn bevestiging van de uitleg van Ibn Khoewaiyz Mindaad omtrent de woorden van Imam Maalik;
  • zijn standpunt dat het domein van de goddelijke Eigenschappen volledig steunt op openbaringsteksten en consensus;
  • zijn erkenning dat de ‘Ahaad’-overleveringen betreffende de Eigenschappen worden aanvaard en niet geïnterpreteerd moeten worden.

2. Het bevestigen van de letterlijke betekenis van de teksten en zijn afwijzing van Tafwied

Ibn ʿAbd al-Barr verduidelijkt dat het bevestigen van de (goddelijke) Eigenschappen niet beperkt blijft tot het bevestigen van de termen; ook de betekenis ervan moet worden bevestigd, zonder deze weg te interpreteren. Hij zegt: “Ahl us-Soennah zijn het er unaniem over eens dat alle Eigenschappen die in de Koran en de Soennah worden genoemd, bevestigd moeten worden en volgens hun letterlijke betekenis aangenomen moeten worden, niet als metaforen. Zij onthouden zich echter volledig van elke poging om deze Eigenschappen een hoedanigheid of specifieke beschrijving toe te kennen. Wat betreft de innovators — de Djahmiyyah, de Moeʿtazilah en de Khawaaridj — zij ontkennen deze Eigenschappen en weigeren ze volgens hun letterlijke betekenis te nemen. Zij beschuldigen degenen die de Eigenschappen bevestigen van Tashbieh[2] (antropomorfisme), terwijl zijzelf door degenen die de Eigenschappen bevestigen beschouwd worden als ontkenners van de Aanbedene (Allah). De waarheid ligt in de uitspraken van degenen die spreken op basis van het Boek van Allah en de Soennah van Zijn Boodschapper — dat zijn de imams van al-Djamaaʿah, en alle lof zij Allah.”

(at-Tamhied, boekdeel 5, blz. 145)

Hij benadrukt verder dat het onbekend zijn van de hoedanigheid (al-kayf) van de Eigenschappen niet betekent dat de Eigenschap ontkend moet worden; evenmin leidt het bevestigen ervan tot gelijkstelling met de schepping. Hij zegt: “Het achterwege laten van de vraag naar het ‘hoe’ (Takyief[3]) vereist niet dat de Istiwaa’ wordt ontkend. Want als ontkenning noodzakelijk zou zijn, dan zou het eveneens noodzakelijk zijn om het ‘hoe’ in de eeuwigheid te bevestigen; immers, niets kan bestaan zonder een ‘hoe’, tenzij dit gepaard gaat met een bepaalde hoedanigheid. Wij begrijpen en nemen waar — met onze zintuigen — dat wij zielen in onze lichamen hebben, terwijl wij niet weten hoe deze eruitzien. Maar onwetendheid over de hoedanigheid van de ziel impliceert niet dat wij geen ziel hebben. Zo impliceert ook onze onwetendheid over hoe Allah boven Zijn Troon is, niet dat Hij niet boven Zijn Troon is.”

(at-Tamhied, boekdeel 7, blz. 137)

3. Twee voorbeelden van zijn letterlijke aanname van de openbaringsteksten

Zoals vastgesteld, is de methodiek van Ibn ʿAbd al-Barr gebaseerd op het hanteren van de letterlijke betekenis van de teksten. Twee belangrijke voorbeelden hiervan zijn zijn behandeling van de Hoogheid (ʿOeloew) van Allah en Zijn neerdaling (Noezoel).

De Eigenschap van Hoogheid

Ibn ʿAbd al-Barr behandelt deze Eigenschap op meerdere plaatsen in zijn werken, bevestigt haar en weerlegt de allegorische interpretaties van degenen die haar anders uitleggen. Zijn formuleringen zijn expliciet en ondubbelzinnig, waarbij hij benadrukt dat hij de teksten in hun schijnbare (letterlijke) betekenis handhaaft. Zo zegt hij: “De duidelijke bewoordingen van de openbaring getuigen dat Hij (Allah) boven de Troon is; het meningsverschil hierover bestaat slechts onder ons. Het meest gelukkig is degene die zich laat leiden door de duidelijke, letterlijke betekenis.”

(at-Tamhied, boekdeel 7, blz. 134)

Over de bekende, door Moeslim overgeleverde hadieth waarin de Profeet (vrede zij met hem) vraagt: “Waar is Allah?”, zegt hij: “Hierop berust de consensus van Ahl as-Soennah — dat wil zeggen de geleerden van hadieth, de overleveraars daarvan en de rechtsgeleerden — dat zij bevestigen wat Allah in Zijn Boek heeft gezegd: de Meest Barmhartige is boven de Troon verheven. Allah bevindt zich in de hemel, en Zijn kennis is overal; dit alles wordt begrepen volgens de letterlijke betekenis van de Koran.”

(at-Istidhkaar, boekdeel 7, blz. 337)

De Eigenschap van Neerdaling

Ook de neerdaling van Allah in het laatste deel van de nacht bevestigt hij zonder enige vorm van Ta’wiel; hij handhaaft deze Eigenschap in haar schijnbare (letterlijke) betekenis, in overeenstemming met de overgeleverde opvatting van de salaf.

Zo zegt hij: “Wat betreft de uitspraak van de Profeet (vrede zij met hem): ‘Onze Heer, gezegend en verheven, daalt elke nacht neer naar de laagste hemel in het laatste derde deel van de nacht, en Hij zegt: Wie roept Mij aan, zodat Ik hem verhoor? Wie vraagt Mij, zodat Ik hem geef? Wie zoekt Mijn vergeving, zodat Ik hem vergeef?’, dan is dit een overlevering die door de hadiethgeleerden als authentiek is beoordeeld. Het is overgeleverd via talrijke betrouwbare ketens, met vrijwel identieke bewoordingen en dezelfde betekenis.”

(at-Istidhkaar, boekdeel 2, blz. 526)

Hij zegt ook: “Waar Ahl us-Soennah, evenals de vooraanstaande geleerden van fiqh en hadith, zich in deze en soortgelijke kwesties op bevinden, is het geloven in hetgeen van de Profeet (vrede zij met hem) is overgeleverd, het bevestigen daarvan, en het zich onthouden van elke poging om een ‘hoe’ te bepalen of een grens te stellen.”

(at-Tamhied, boekdeel 5, blz. 120)

Verder zegt hij: “De uitspraak van de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem): ‘Onze Heer daalt neer naar de laagste hemel’ wordt door hen opgevat zoals de woorden van Allah, de Verhevene (interpretatie van de betekenis):

“Toen Hij zich openbaarde.”

 (Soerat al-Aʿraaf: 143)

En zoals Zijn uitspraak (interpretatie van de betekenis):

En jouw Heer komt, en de engelen in rijen.”

 (Soerat al-Fadjr: 22).

Zij allen zeggen: Hij daalt neer, Hij openbaart Zich, en Hij komt, zonder een ‘hoe’ te bepalen. Zij vragen niet: Hoe komt Hij? Hoe openbaart Hij Zich? Hoe daalt Hij neer? Noch vragen zij: Van waar komt Hij? Van waar openbaarde Hij Zich? Van waar daalt Hij neer? Want niets is aan Hem gelijk, Hij is Verheven boven Zijn schepselen en Hij heeft geen deelgenoot. En de woorden van Allah, de Verhevene (interpretatie van de betekenis): ‘Toen Hij zich openbaarde’, tonen duidelijk aan dat Hij vóór dat moment Zich niet aan de berg toonde, en hierin ligt een verklaring voor de betekenis van de hadieth over de neerdaling.”

(at-Tamhied, boekdeel 7, blz. 130)

Samenvattend kunnen we stellen dat imam Ibn ʿAbd al-Barr al-Maalikie het pad van Ahl ul-Ḥadieth volgde in zijn Fiqh en ʿAqiedah. Dit is de kenmerkende lijn die zijn werken doordringt, en die hij uitvoerig heeft uiteengezet en onderbouwd.

Team al-Yaqeen


[1] Ahaad overlevering is een overlevering die het niveau van Tawaatoer het overleveren van groep tot groep) niet heeft bereikt.

[2] Tashbieh is het vergelijken van Allah met de schepping.

[3] Takyief is het beschrijven van een Hoedanigheid.