De Dag van ʿAashoeraa’

In de komende dagen verwelkomen wij een grootse dag uit de verheven dagen van Allah. Het is een belangrijke dag, met grote verdiensten en een eeuwenoude heiligheid. Op deze dag vernietigde Allah, de Almachtige, de meest onderdrukkende mensen op aarde, degenen die zich schuldig maakten aan de ernstigste misdaden. Onder hen bevond zich de grootste in hoogmoed en arrogantie: de agressieve tiraniek, Firʿawn (de Farao). Allah vernietigde hem en zijn volk in één enkel moment, als een voorbeeld (waarschuwing) en als een groot teken uit Zijn verheven tekenen. Deze indrukwekkende gebeurtenis en teken vonden plaats op de dag die wij binnenkort ontvangen: de tiende dag van Allahs maand Moeharram.

Tot aan die dag had deze arrogante en hoogmoedige tiran een leven geleid dat gekenmerkt werd door onderdrukking, trots, bedrog, ongeloof, opstandigheid en koppigheid. Hij riep zijn volk zelfs op om zijn goddelijkheid te erkennen. Zijn tirannie had zó’n niveau bereikt dat hij zei (interpretatie van de betekenis):

“O vooraanstaanden (van mijn volk)! Ik ken voor jullie geen andere god dan mijzelf.”

(Soerat al-Qasas: 38)

En hij zei (interpretatie van de betekenis):

“En wat is de Heer van de werelden?”

(Soerat ash-Shoeʿaraa: 23)

Ook zei hij (interpretatie van de betekenis):

“Ik ben jullie hoogste heer.”

(Soerat an-Naaziʿaat: 24)

Ook uitte hij vele andere woorden van tirannie, ongeloof, dwaling en opstandigheid. Hij was een arrogante heerser die geen enkele zorg droeg voor het welzijn van zijn volk.

Hij zag de wonderen van Allah, Zijn immense gunsten en overvloedige weldaden. Toch namen zijn afstand van Allah, zijn afkeer van de waarheid en zijn hoogmoed alleen maar toe. Sterker nog, hij gebruikte deze grote tekenen en gunsten als bewijs voor de juistheid van zijn eigen beweringen tegenover zijn volk. Hij liet hen geloven dat hij daadwerkelijk recht had op de positie die hij voor zichzelf opeiste, en zij geloofden hem. (interpretatie van de betekenis):

“Op die manier wist Fir‘awn zijn volk te misleiden, waarna zij hem gehoorzaamden.”

(Soerat az-Zoekhroef: 54)

. Musa (‘Alayhis-salaam) went out at night towards the Red Sea and the tyrant knew of Musa (‘Alayhis-salaam) going out with his followers. He (Pharaoh) ordered that the people should be gathered for him and that his followers be gathered from the cities of various places. When they were gathered, he went out with his soldiers and munitions to follow Musa (‘Alayhis-salaam) and those with him. When Musa (‘Alayhis-salaam) and those with him from his people (Bani Israel) reached the sea; when the two parties saw each other- ponder upon this distressed moment-

Tot de zaken waarop hij trots was, behoorden de grote rivieren die onder zijn gezag stroomden. Toen Allah, de Almachtige, deze tiran wilde vernietigen, deed Hij dat op een wijze die een les is voor degenen die nadenken en een teken voor degenen die lering trekken.

Allah, de Almachtige, gaf Zijn uitverkoren Profeet, Boodschapper en Kaliem (degene met wie Allah rechtstreeks sprak), Moesa (vrede zij met hem), toestemming om gedurende de nacht met de gelovige dienaren van Allah te vertrekken. Moesa (vrede zij met hem) trok in de nacht weg richting de Rode Zee.

De tiran kwam te weten dat Moesa (vrede zij met hem) met zijn volgelingen was vertrokken. Daarop gaf hij opdracht om de mensen voor hem bijeen te brengen en zijn aanhangers uit de verschillende steden te verzamelen. Toen zij verzameld waren, trok hij met zijn leger en strijdmiddelen eropuit om Moesa (vrede zij met hem) en degenen die met hem waren te achtervolgen.

Toen Moesa (vrede zij met hem) en de gelovigen van zijn volk, de Kinderen van Israël, de zee bereikten kregen de twee groepen elkaar in zicht. Denk eens na over dit beangstigende moment. (Interpretatie van de betekenis):

“En toen de twee groepen elkaar zagen, zeiden de metgezellen van Moesa: ‘Wij zullen zeker worden ingehaald.”

(Soerat ash-Shoeʿaraa: 61)

Dat wil zeggen: de zee bevindt zich vóór ons; als wij haar ingaan, zullen wij verdrinken. En de vijand bevindt zich achter ons; als wij blijven staan, zullen wij worden gegrepen. Waar is dan nog een uitweg?

Moesa (vrede zij met hem) zei (interpretatie van de betekenis):

“Zeker niet! Mijn Heer is met mij; Hij zal mij leiden.”

(Soerat ash-Shoeʿaraa: 62)

O gelovige, denk hierover na en overdenk het grote vertrouwen (Tawakkoel) en afhankelijkheid die Moesa (vrede zij met hem) in Allah, de Almachtige, had. Moesa (vrede zij met hem) zei:

“Zeker niet! Mijn Heer is met mij; Hij zal mij leiden.”

(Soerat ash-Shoeʿaraa: 62)

Iemand zou kunnen zeggen: “Waarheen dan?” De vijand bevindt zich immers achter hen en de zee vóór hen! Maar de overwinning komt van Allah. Wie zijn vertrouwen op Allah stelt, voor hem zal Allah voldoende zijn, zelfs als allen in de hemelen en op de aarde tegen hem zouden samenspannen.

(Interpretatie van de betekenis):

“Is Allah niet voldoende voor Zijn dienaar?”

(Soerat az-Zoemar: 36)

“En wie op Allah vertrouwt, voor hem zal Allah voldoende zijn.”

(Soerat at-Talaaq: 3)

Moesa’s (vrede zij met hem) vertrouwen en afhankelijkheid van Allah waren enorm toen hij de zee bereikte. Daar beval Allah, de Verhevene, hem om met zijn staf op de zee te slaan. Allahoe Akbar! (Allah is de Grootste).

Moesa (vrede zij met hem) sloeg met zijn staf op de zee, waarop de zee zich in twaalf doorgangen splitste. De zeebodem werd droog land, zonder modder en zonder gladheid. Het water, dat van nature vloeibaar is, stond tussen deze doorgangen als hoge bergen. Allahoe Akbar!

Vervolgens trokken Moesa (vrede zij met hem) en degenen die met hem waren van de Kinderen van Israël door deze doorgangen, terwijl het water als bergen aan hun rechter- en linkerzijde stond en de droge aarde zich onder hun voeten bevond. Zij trokken verder totdat zij de overkant van de zee bereikten.

Firʿawn en zijn soldaten, uitgerust met hun wapens en strijdmiddelen, achtervolgden hen en trokken eveneens de zee in. Toen zij zich allemaal in deze doorgangen bevonden, beval Allah, de Almachtige, de zee om terug te keren naar haar oorspronkelijke toestand. Daarop verdronken Fir‘awn en allen die met hem waren in één enkel ogenblik. Juist door datgene waarop hij zo trots was geweest, vond hij zijn einde. Hij placht immers te zeggen (interpretatie van de betekenis):

“O mijn volk! Is het koningschap over Egypte niet van mij, en stromen deze rivieren niet onder mijn gezag? Zien jullie dat dan niet in?”

(Soerat az-Zoekhroef: 51)

Daarop liet Allah, de Almachtige, hem en degenen die met hem waren verdrinken.

Dit indrukwekkende teken van Allah vond plaats op de dag van ʿAashoeraa’, de tiende dag van Allahs maand Moeharram. Het is de dag waarop Moesa (vrede zij met hem) getuige was van Allahs grote gunst jegens hem, toen Hij op die dag die verdorven tiran vernietigde. Daarom vastte Moesa (vrede zij met hem) op deze dag uit dankbaarheid aan Allah, de Gezegende en Verhevene.

Toen onze Profeet (vrede zij met hem) na de Hidjrah (migratie) in Medina aankwam, zag hij dat de Joden vastten op de dag van ʿAashoeraa’. Deze overlevering is vermeld in de twee authentieke verzamelingen (as-Sahiehayn), namelijk die van al-Boekhaarie en Moeslim. Ibn ʿAbbaas heeft gezegd: “De Profeet (vrede zij met hem) kwam naar Medina en zag de joden vasten op de dag van ʿAashoeraa’. Hij vroeg: “Wat is dit voor een dag?” Zij antwoordden: “Dit is een heilige dag. Dit is de dag waarop Allah de Kinderen van Israël van hun vijand heeft gered en (de Profeet) Moesa vastte op deze dag.” Hierop zei hij: “Wij hebben meer recht op Moesa dan jullie.” Sindsdien vastte de Profeet (vrede zij met hem) op deze dag en moedigde de mensen ook aan om deze (dag) te vasten.”

(al-Boekhaarie en Moeslim)

Bovendien heeft de Profeet (vrede zij met hem) de verheven status van deze dag en de grote beloning voor degene die op de dag van ʿAashoeraa’ vast, benadrukt.

In Sahieh Moeslim is een overlevering van Aboe Qataadah (moge Allah tevreden met hem zijn) vermeld, waarin de Profeet (vrede zij met hem) zei: “Voor het vasten van de dag van ʿAashoeraa’ hoop ik dat Allah de zonden van het jaar ervoor vergeeft.”

(Moeslim)

Met vergeving wordt bedoeld het uitwissen van de kleine zonden die minder ernstig zijn dan de grote zonden. (Interpretatie van de betekenis):

“Als jullie de grote zonden vermijden die jullie verboden zijn, dan zullen Wij jullie kleine zonden uitwissen en jullie een eervolle toegang verschaffen (tot het Paradijs).”

(Soerat an-Nisaa’: 31)

In Sahieh Moeslim is een overlevering van Ibn ʿAbbaas (moge Allah tevreden met hem zijn) vermeld, waarin de Profeet (vrede zij met hem) zei:) “Als ik blijf (leven) tot volgend jaar, dan zal ik geheid de negende dag ook vasten.”

(Moeslim)

(Dat wil zeggen: naast de tiende dag ook de negende dag vasten, om zich te onderscheiden van de Joden).

Daarom is het een Soennah om te vasten op de dag van ʿAashoeraa’, de tiende dag van Allahs maand Moeharram, uit dankbaarheid aan Allah, de Gezegende en Verhevene. Tevens is het aanbevolen om ook de negende dag te vasten, om zich te onderscheiden van de Joden, overeenkomstig de leiding van onze Profeet (vrede zij met hem).

Vervolgens beproefde Allah, de Almachtige, in Zijn volmaakte wijsheid één van Zijn dienaren met een grote beproeving op de dag van ʿAashoeraa’, namelijk in het jaar 61 na de Hidjrah.

Hij was een Wali (vrome dienaar en geliefde van Allah) uit de Awliyaa’ van Allah en een vooraanstaand man aan wie de Profeet (vrede zij met hem) de blijde tijding van het Paradijs had gegeven. Op deze dag werd hij onrechtmatig gedood en stierf hij als martelaar op de weg van Allah. Deze marteldood betekende voor hem een verhoging in rang en status bij Allah, de Almachtige. Het betreft Hoesayn  ibn ʿAli ibn Abi Taalib (moge Allah tevreden met hem zijn).

Het doden van Hoesayn  was een onrechtmatige en agressieve daad, waarbij de grenzen van het toelaatbare ver werden overschreden. Hij (moge Allah tevreden met hem zijn) stierf als martelaar op de weg van Allah.

Wij geloven en zijn ervan overtuigd dat hij onrechtmatig werd gedood en als martelaar stierf. Hij zal een verheven rang en hoge positie innemen in de Tuinen van gelukzaligheid.

Onze Profeet (vrede zij met hem) zei over hem en zijn broer Hasan (moge Allah tevreden zijn met hen beiden): “Zij zijn de leiders van de jongeren onder de bewoners van het Paradijs.”

(Ahmad en at-Tirmidhie; authentiek verklaard door al-Albaanie)

In deze moord lag een beproeving, een test en een zuivering besloten. Nadien raakten de mensen verdeeld en sloegen zij verschillende wegen in met betrekking tot wat er was gebeurd:

  1. Degenen die de grenzen van Allah overschreden.
  2. Degenen die hardvochtig waren en geen oog hadden voor de hoge status van de Awliyaa’ (vrome dienaren) van Allah en de meest rechtschapenen.
  3. Degenen die de gematigde weg volgden: evenwichtig, standvastig en geleid. Dit zijn de Ahl us-Soennah wal-Djamaaʿah. Zij zijn de mensen van het middenpad en de gematigdheid; zonder nalatigheid, zonder overdrijving of buitensporigheid, en zonder vervreemding van de waarheid.

1. Toch zijn er mensen die van de dag van ʿAashoeraa’ een dag van rouw en verdriet maken, waarop zij handelingen verrichten die niet tot de religie van Allah behoren en waarmee Allah, de Almachtige, niet tevreden is. De islamitische religie heeft dergelijke rouwpraktijken verboden, ze afgekeurd en als ernstige zonden beschouwd. Ook heeft zij duidelijk gewezen op de bestraffing van degene die zich daaraan schuldig maakt. Hieronder vallen onder andere: luid jammeren en weeklagen, het slaan op de wangen, het scheuren van kleding en het uiten van kreten uit de tijd van de Djaahiliyyah (de pre-islamitische periode van onwetendheid). Sommigen gaan zelfs verder dan dat door zich schuldig te maken aan shirk (het toekennen van deelgenoten aan Allah). Zo zoeken zij toevlucht bij Hoesayn  (moge Allah tevreden met hem zijn), vragen zij hem om hulp, verzoeken zij hem hun behoeften te vervullen en hun moeilijkheden en zorgen weg te nemen. Dit zijn zaken die uitsluitend gevraagd mogen worden aan de Heer van de hemelen en de aarde. De Profeet (vrede zij met hem) zei over het weeklagen: “Als de weeklagende vrouw geen berouw toont vóór haar dood, zal zij op de Dag der Opstanding worden opgewekt terwijl zij een kleed van teer en een hemd van schurft draagt.”

(Moeslim)

En hij (vrede zij met hem) zei: “Degene die zich op de wangen slaat, zijn kleding scheurt en de oproepen van de Djaahiliyyah uit behoren niet tot ons.”

(al-Boekhaarie en Moeslim)

In plaats van de dag van ʿAashoeraa’ te beschouwen als een dag van dankbaarheid aan Allah, de Almachtige, is deze dag vanwege deze gebeurtenis bij sommigen veranderd in een dag van rouw en verdriet, waarop gebruiken uit de Djaahiliyyah worden verricht die geen deel uitmaken van de religie van Allah, de Almachtige. Sommigen menen op die dag dichter bij Allah te komen door hun eigen bloed te vergieten, bijvoorbeeld door hun voorhoofd of rug te verwonden. Zij denken dat dit leidt tot vergeving van zonden en een verhoging van hun rang. Maar dergelijke handelingen staan ver af van de religie van Allah, de Almachtige. Zij maken geen deel uit van Zijn Sharieʿah (Islamitische wetgeving) en zijn nooit voorgeschreven of goedgekeurd door Hoesayn  ibn ʿAli (moge Allah tevreden met hen beide zijn), noch door de edelste metgezellen of de vrome dienaren van Allah.

2. Tegenover deze dwalende (extremistische) groep stond een andere groep die de Ahl ul-Bayt (de familie van de Profeet -vrede zij met hem-) juist met minachting, vernedering en afkeer behandelde en hun hoge status niet erkende. Dit zijn de Naasiebah, degenen die vijandigheid koesteren tegenover de Ahl ul-Bayt van de Profeet (vrede zij met hem). Zij maakten van deze dag een dag van vreugde. Op die dag gaven zij extra geld uit aan kleding, voedsel, zoetigheden, versieringen en andere zaken. Deze groep bevindt zich aan het tegenovergestelde uiterste van de eerste groep. De eerste groep overdrijft in rouw en weeklacht, terwijl deze tweede groep zich kenmerkt door slecht gedrag en gebrek aan respect. Voor zover ik weet, is deze groep in onze tijd niet aanwezig.

3. De beste daden zijn de daden van gematigdheid, zonder nalatigheid en zonder overdrijving. Dat is de weg van Ahl us-Soennah wal-Djamaaʿah: de mensen van de waarheid en standvastigheid. Zij houden vast aan de Soennah van de Profeet (vrede zij met hem) door op die dag te vasten en Allah, de Almachtige, te danken.

Wat betreft hetgeen Hoesayn (moge Allah tevreden met hem zijn) op die dag overkwam: volgens de mensen van de Soennah was dit een daad van onrecht, agressie en een ernstige misdaad. Hoesayn  werd op die dag als martelaar gedood op de weg van Allah. Maar ons is niet opgedragen om de sterfdag van martelaren, of het nu Hoesayn betreft of iemand anders, te maken tot een jaarlijkse dag van rouw, weeklacht of andere soortgelijke praktijken. Al deze zaken behoren tot de gebruiken van de Djaahiliyyah en maken geen deel uit van de religie van Allah, de Gezegende en Verhevene. Wij dienen Allah, de Almachtige, te danken dat Hij ons heeft geleid, onze harten heeft geopend voor de waarheid, ons heeft weggehouden van de weg van onrecht en dwaling, en ons heeft gemaakt tot een gematigde en evenwichtige gemeenschap.

Wij zoeken toenadering tot Allah door liefde te hebben voor de Ahl ul-Bayt van de Profeet (vrede zij met hem), hun status te erkennen en hun rechten te respecteren, zonder vijandigheid, onrecht, nalatigheid of overdrijving.

Naar aanleiding van het aanhalen van de onrechtmatige dood van Hoesayn  ibn ʿAli (moge Allah tevreden met hen beide zijn) en de vermelding van de hoge status van de Ahl ul-Bayt, van wie de rechten en positie de Profeet (vrede zij met hem) ons heeft opgedragen te erkennen, wil ik – om de waarheid te verduidelijken en de werkelijkheid uiteen te zetten – wijzen op één van de grote imams en geleerden, een van de hervormers van de Soennah. Door hem hervormde Allah, de Almachtige, de religie, leidde Hij Zijn dienaren en bracht Hij vernieuwing in de gemeenschap. Dat is Sheikh al-Islaam, imam Mohammad ibn ʿAbd al-Wahhaab (moge Allah hem genadig zijn). Deze imam staat bekend om zijn grote inzet, zijn standvastige verdediging van de religie van Allah, de Gezegende en Verhevene, en zijn inspanningen om de zuivere islam te herstellen. Mensen zonder morele integriteit hebben echter beweerd dat deze imam de Ahl ul-Bayt van de Profeet (vrede zij met hem) zou haten en hun hoge status niet zou erkennen. Zij hebben leugens over hem verzonnen en valse beschuldigingen geuit. Zo beweerden zij dat hij de Ahl ul-Bayt zou beledigen, hun positie niet zou kennen en hun waarde niet zou erkennen. (Interpretatie van de betekenis:)

“Verschrikkelijk is het woord dat uit hun monden komt. Zij spreken niets dan leugens.”

(Soerat al-Kahf: 5)

Het is ondenkbaar dat deze imam of welke andere imam of geleerde van de moslims dan ook, zo een dergelijke eigenschap zou bezitten of zich op een niveau zouden begeven waarop zelfs de dwazen onder de mensen zich niet op bevinden. Laat staan de eerbiedwaardige imams, die bekendstaan om hun hoge rang, waardigheid en edele karakter.

Wie de geschiedenis van deze imam bestudeert, kennisneemt van zijn eervolle levensloop en zijn gezegende geschriften onderzoekt, zal duidelijk zien welke grote liefde en waardering hij in zijn hart koesterde voor de Ahl ul-Bayt van de Profeet (vrede zij met hem). Moge Allah hem genadig zijn.  In zijn boeken zijn talrijke passages te vinden waarin hij de Ahl ul-Bayt prijst, hun hoge rang en status toelicht, hun rechten uiteenzet en het belang benadrukt van het liefhebben van hen. Vanwege zijn liefde voor de de Ahl ul-Bayt van de Profeet (vrede zij met hem) en zijn diepgaande kennis van hun verheven positie gaf hij de meeste van zijn kinderen namen die ook door leden van de Ahl ul-Bayt werden gedragen. Zijn kinderen (moge Allah hen zegenen) heetten: ʿAli, al-Hasan, al-Hoesayn, Faatimah, Ibraahiem en ʿAbdoellah. Al deze namen behoren tot de Ahl ul-Bayt van de Profeet (vrede zij met hem).  Daarnaast had hij ook een zoon met de naam ʿAbd al-ʿAziez.Dit behoort tot de duidelijke bewijzen van de hoge plaats die de Ahl ul-Bayt van de Profeet (vrede zij met hem) in het hart van deze imam innamen. Toch beweren lasteraars dat hij de Ahl ul-Bayt van de Profeet (vrede zij met hem) zou haten!  (Interpretatie van de betekenis):

“En degenen die onrecht plegen, zullen spoedig te weten komen naar welke terugkeer zij zullen terugkeren.”

(Soerat ash-Shoeʿaraa: 227)

Sheikh ʿAbdoer-Razzaaq ibn ʿAbdil-Moehsin al-ʿAbbaad al-Badr
Al-badr.net