Hier worden we herinnerd aan het indrukwekkende verhaal dat imam Moeslim (moge Allah hem genadig zijn) in zijn Sahieh heeft overgeleverd: het verhaal van Dhimaad al-Azdie, die een leider was onder zijn volk.
Hij kwam Mekka binnen en hoorde mensen zeggen: “Mohammed is een krankzinnige.” Hij zei: “Ik dacht bij mezelf: ‘Ik ben iemand die Roeqyah verricht, en Allah geneest door mijn toedoen wie Hij wil van Zijn dienaren. Als ik Mohammed ontmoet, zal ik zeker Roeqyah bij hem verrichten. Wellicht zal Allah hem door mijn toedoen genezen.”’ (Dit dacht hij) omdat hij de mensen voortdurend het woord ‘krankzinnige’ hoorde herhalen. Daarop ging hij naar de Profeet (vrede zij met hem) met de bedoeling hem een goede daad te bewijzen door Roeqyah bij hem te verrichten.
Hij kwam naar hem toe en zei: “Ik ben iemand die Roeqyah verricht, en Allah geneest door mijn toedoen wie Hij wil van Zijn dienaren. Zou je dat willen?” Met andere woorden: zou je willen dat ik Roeqyah bij je verricht en over je reciteer, zodat je wellicht genezen wordt van datgene waaraan je lijdt? De Profeet (vrede zij met hem) vroeg hem: “Ben je klaar?” Hij antwoordde: “Ja.”
Vervolgens zei hij (vrede zij met hem): “Innal-hamda lillaahi, nahmadoehoe wa nastaʿienoehoe wa nastaghfiroehoe, wa naʿoedhoe billaahi min shoeroeri anfoesinaa wa min sayyi-aati aʿmaalinaa. Man yahdihillaahoe falaa moedhilla lahoe, wa man yoedhlil falaa haadiya lahoe. Wa ash-hadoe allaa ilaaha illallaahoe wahdahoe laa sharieka lahoe, wa ash-hadoe anna Moehammadan ʿabdoehoe wa rasoeloehoe.”
(“Voorwaar, alle lof komt Allah toe. Wij prijzen Hem, vragen Hem om hulp en vergeving en tonen berouw aan Hem. Wij zoeken onze toevlucht bij Allah tegen het kwaad van onze zielen en onze slechte daden. Wie Allah leidt, kan door niemand worden misleid. En wie Allah laat dwalen, kan door niemand worden geleid. En Ik getuig dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah, de Enige, Die geen deelgenoten heeft. En ik getuig dat Mohammed Zijn dienaar en Boodschapper is.”)
Hij (Dhimaad al-Azdie) was een man met een goed begrip, die de betekenis van woorden wist te doorgronden. De mensen beweerden voortdurend dat Mohammed (vrede zij met hem) krankzinnig was, terwijl hij juist indrukwekkende en verheven woorden hoorde. Daarom zei hij tegen de Profeet (vrede zij met hem): “Herhaal deze woorden van jou voor mij.” Hij wilde erover nadenken. Zoals Allah zegt (interpretatie van de betekenis):
“Denken zij dan niet na?”
(Soerat al-Aʿraaf: 184)
Hij wilde erover nadenken. Daarom zei hij: “Herhaal deze woorden van jou voor mij.” Daarop herhaalde de Profeet (vrede zij met hem) de Khoetbat ul-Haadjah voor hem.
Vervolgens zei hij: “Jouw woorden hebben de diepste delen van de zee bereikt.” Daarmee bedoelde hij dat deze woorden een onmetelijk diepe betekenis hadden.
Daarna zei hij: “Geef mij jouw hand, zodat ik tegenover jou de eed van trouw aan de islam kan afleggen.” Hij was een leider van zijn volk. De Profeet (vrede zij met hem) vroeg: “Namens jezelf en je volk?” Hij antwoordde: “Namens mijzelf en mijn volk.’
Onder welke omstandigheden hoorde hij de Khoetbat ul-Haadjah? Te midden van een hevige lastercampagne tegen Mohammed (vrede zij met hem) waarin werd beweerd dat hij krankzinnig was. Hierin ligt de betekenis besloten die met het volgende Koranvers wordt bedoeld (interpretatie van de betekenis):
“Denken zij dan niet na?”
(Soerat al-Aʿraaf: 184)
Deze man dacht na en overwoog wat hij hoorde na slechts één zitting en werd geleid. Terwijl die andere mensen de Profeet (vrede zij met hem) door en door kenden. Zij waren bekend met zijn levenswijze, zijn manieren en zijn karakter. Toch waren er onder hen mensen voor wie Allah de leiding niet had voorbeschikt. En dit is precies het punt dat hierna aan bod komt. (Interpretatie van de betekenis:)
“En wie Allah laat dwalen, kan door niemand worden geleid.”
(Soerat al-Aʿraaf: 186)
Allah zegt (interpretatie van de betekenis):
“Denken zij dan niet na?”
(Soerat al-Aʿraaf: 184)
Dat wil zeggen: over deze Profeet (vrede zij met hem), zijn leven, zijn overleveringen, zijn karakter en zijn omgang met de mensen. (Interpretatie van de betekenis:)
“Denken zij dan niet na? Hun metgezel (Mohammed -vrede zij met hem-) is niet krankzinnig.”
(Soerat al-Aʿraaf: 184)
Sheikh ʿAbdoer-Razzaaq ibn ʿAbdil-Moehsin al-Badr
(uitgetikt audiofragment)