De verheven positie van Othmaan ibnoe Affaan

6506

Aboe Moesaa overlevert dat de Profeet (vrede zij met hem) een tuin binnenging en mij opdracht gaf om de wacht te houden bij de poort ervan. Toen kwam er een man aan en vroeg toestemming om binnen te komen. Waarop hij (vrede zij met hem) antwoordde: “Laat hem binnenkomen en geef hem de blijde tijding dat hij het Paradijs zal binnentreden.” Het bleek Aboe Bakr te zijn. Toen kwam er een ander aan en vroeg (ook) toestemming om binnen te komen. Waarop hij (vrede zij met hem) antwoordde: “Laat hem binnenkomen en geef hem de blijde tijding dat hij het Paradijs zal binnentreden.” Het bleek cOmar te zijn. Toen kwam er (weer) een ander aan en vroeg toestemming om binnen te komen. Waarop hij (vrede zij met hem) even zweeg en zei: “Laat hem binnenkomen en geef hem de blijde tijding dat hij het Paradijs zal binnentreden nadat hij getroffen zal worden door een beproeving.” Het bleek cOthmaan ibn cAffaan te zijn. (al-Boechari)

Ibnoe Mawhab overlevert dat een man uit Egypte de bedevaart kwam verrichten. Toen hij een groepje mensen zag zitten vroeg hij: “Wie zijn die mensen?” Er werd geantwoord: “Het zijn Qoeraysh.” Hierna vroeg hij: “Wie is die oude man tussen hen?” Zij antwoordden: “Dat is cAbd Allah ibnoe cOmar.” Hij riep: “O Ibn cOmar, ik zal je een vraag stellen waarop ik een antwoord wil. Wist jij dat cOthmaan ibn cAffaan weg was gevlucht op de dag van Oehoed?” Hij antwoordde: “Ja!” Hij zei: “Wist je dat hij niet aanwezig was bij (de slag van) Badr?” Hij antwoordde: “Ja!” De man zei: “Wist je dat hij niet aanwezig was bij de eed van trouw (die afgelegd werd onder de boom) van Ridwaan?” Hij antwoordde: “Ja!” Hij (de man) riep toen uit: “Allaahoe Akbar.” Ibn cOmar zei: “Kom eens hier dan zal ik jou de zaken duidelijk maken. Wat betreft het vluchten op de dag van Oehoed: ik getuig dat Allah hem dit heeft vergeven en dit van hem heeft uitgewist. Wat betreft zijn afwezigheid tijdens Badr: dit was omdat hij getrouwd was met de dochter van de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) en zij destijds ziek was. De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zei toen tegen hem: “Jouw komt dezelfde beloning toe als degene die Badr heeft bijgewoond en ook zal jij deelnemen in de oorlogsbuit (blijf bij je vrouw). En wat betreft zijn afwezigheid bij de eed van trouw (die afgelegd werd onder de boom) van Ridwaan: als er iemand was die meer aanzien had binnen Mekka dan had hij (vrede zij met hem) hem in zijn plaats gestuurd. (Maar omdat er niet zo een persoon was) stuurde de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) cOthmaan. En de eed van trouw (onder de boom) van Ridwaan vond pas plaats nadat cOthmaan was vertrokken naar Mekka. De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) wees toen naar zijn rechterhand en zei: “Dit is de hand van cOthmaan en sloeg daarmee op zijn andere hand en zei: “Deze is voor cOthmaan.” Ibn cOmar zei toen (tegen de man): “En nu mag je hiermee (deze informatie) vertrekken.” (al-Boechari)

Anas overlevert: “De Profeet (vrede zij met hem) beklom de berg Oehoed samen met Aboe Bakr, cOmar en cOthmaan. Waarna hij (Oehoed) begon te schudden. Hierop zei hij (vrede zij met hem): ,,Houdt je gedeisd, Oehoed -ik denk dat hij zelfs met zijn voet erop stampte-. Want niemand minder dan een Profeet, een Siddieq (waarheidsgetrouwe) en twee martelaren staan op jou.” (al-Boechari)