Hoe zogenoemde ‘imams’ gebruikt worden als schaamlap voor genocide

506

In een tijd waarin de ledematen van kinderen in Gaza de lucht in worden geblazen door de nietsontziende bombardementen van zionistische moordmachines — waarin vrouwen, ouderen, zieken en zelfs hulp- en voedselzoekenden op klaarlichte dag, voor het oog van de wereld, systematisch worden afgeslacht — en waarin deze verdrukte mensen snakken naar elke vorm van steun, solidariteit en morele bijstand, verschijnen er zogenoemde ‘imams’ uit diverse Europese landen die deze genocide niet alleen legitimeren, maar zelfs verheerlijken. Ze omarmen de daders, prijzen hun leiders, en reiken hen warme handen alsof het vredestichters betreft.

Wie had ooit kunnen denken dat we een tijd zouden meemaken waarin ‘imams’ de beulen van onze broeders en zusters zouden bejubelen — de handen zouden schudden die tot aan de ellebogen rood zijn van het bloed van onschuldige kinderen?

Te midden van deze morele afgrond is het noodzakelijk om onszelf een fundamentele vraag te stellen: Aan welke kant staan deze ‘imams’ werkelijk?

De Koran maakt het onmiskenbaar duidelijk:

“En als zij jullie om hulp vragen in de godsdienst, dan is het jullie plicht om hen te helpen”

(Soerat al-Anfaal, 72).

Deze oproep is geen vrijblijvende suggestie. Het is een goddelijke verplichting die elke gelovige aanspreekt op zijn of haar religieuze verantwoordelijkheid.

Allah waarschuwt bovendien in krachtige termen:

“En neig niet naar de onrechtvaardigen, anders zal het Vuur jullie treffen.”

(Hoed: 113)

Niet enkel het bedrijven van onrecht is verwerpelijk, maar ook het neigen naar en knuffelen van de onderdrukker – het zwijgen, het goedpraten, het sussen – maakt ons medeplichtig.

Helpers van de tirannie zijn zelf tirannen

De Profeet (vrede zij met hem) waarschuwde: “Een man spreekt soms een woord dat Allahs woede oproept, terwijl hij denkt dat het onschuldig is, maar hij zakt erdoor zeventig jaar de Hel in.”

(Ibn Maadjah)

Ibn ul-Djawzie verwoordde het glashelder: “De helper van de onderdrukker is zelf een onderdrukker.”

Wie zwijgt wanneer hij moet spreken, wie goedpraat wat hij hoort te veroordelen, wie prijst wie hij had moeten afwijzen, wie de tiran aanreikt wat hij nodig heeft – ook al is het slechts een pen of een podium – is evenzeer verantwoordelijk.

De grote imam Ahmad ibn Hanbal weigerde tijdens zijn gevangenschap de cipier vrij te spreken. Toen hem gevraagd werd: “Ben ik ook een helper van de onderdrukker?” antwoordde hij: “Nee – jij bént de onderdrukker.”

Vandaag zien we zogenaamde ‘imams’ die zich wentelen in de salons van de macht, die hun religieuze kennis misbruiken om genocide en onderdrukking te rechtvaardigen. Ze gebruiken verzen die Allah tot Zijn Profeet (vrede zij met hem) sprak, om de handen van bloedige moordenaars wit te wassen. Dit is geen religie – dit is verraad verpakt in vroom taalgebruik.

De Profeet (vrede zij met hem) waarschuwde voor zulke mensen: “Wie een heerser opzoekt, zijn leugens bevestigt en hem helpt in zijn onrecht, is niet van mij en ik ben niet van hem. Hij zal mijn al-Hawd (drinkplaats) op de Dag des Oordeels niet bereiken.”

(Soenan at-Tirmidhie)

Onrecht moet gestopt worden en niet gestimuleerd worden. De Profeet (vrede zij met hem) zei: “Help je broeder, of hij nu onrecht ondergaat of zelf onrecht pleegt.” Toen men vroeg hoe je een onrechtpleger helpt, antwoordde hij: “Door hem tegen te houden.”

(al-Boekhaarie)

Wie dit nalaat en zijn broeder laat vallen terwijl zijn eer en leven worden geschonden, zal zelf door Allah worden verlaten op de Dag dat hij hulp het hardst nodig heeft.

De rechtschapen voorganger ʿAmr ibn Oebayd weigerde zelfs een inktpot aan te reiken aan een tirannieke kalief, uit vrees dat zijn handelingen zouden bijdragen aan het vergieten van onschuldig bloed.

“Als op de Dag des Oordeels wordt geroepen: ‘Waar zijn de onderdrukkers en hun helpers?’, dan wil ik daar niet bij horen.”

En toch zien we vandaag ‘imams’ die niet alleen de inktpot aanreiken, maar ook het papier, de pen, de preekstoel én het mediaplatform. Ze laten zich gebruiken als schaamlap voor tirannie. En wat zullen deze ‘imams’ tegen hun Heer zeggen, als zij morgen voor Hem komen te staan.

Tot slot willen wij het woord richten tot de moslimgemeenschap en verantwoordelijken:

Wij roepen de ‘imams’ op om spijt te betuigen voor deze verraad, openlijk berouw te tonen, Allah vragen om vergeving en vervolgens op te komen voor hun broeders en zusters in Gaza. 

Deze zogenaamd ‘imams’ spreken niet namens de moslimgemeenschap, niet namens de islam, en zeker niet namens de slachtoffers van onrecht. Ze vertegenwoordigen alleen zichzelf en hun wereldse belangen.

Het is onacceptabel dat zulke figuren nog welkom zijn in onze moskeeën en religieuze instellingen. Wie tirannie prijst of rechtvaardigt, hoort niet thuis in de Mihraab of op de Minbar. Moskeebesturen dienen hierin hun verantwoordelijkheid te nemen.

Het is een religieuze en morele plicht om voor deze personen te waarschuwen. Laat hun namen bekend zijn, hun daden onthouden en hun retoriek ontmaskeren.

Moskeebesturen, wees waakzaam.

Vraag je af wie je binnenhaalt. Kijk niet naar uiterlijkheden, mooie toespraken of titels. Wees alert op wie werkelijk rechtvaardigheid vertegenwoordigt – en wie de islam misbruikt voor politieke normalisatie en onderdrukking.

Moslimgemeenschap, wees kritisch.

Laat je niet misleiden door Jellabah-dragende, tulband-bekroonde figuren die met vloeiende Koran- en Hadiethcitaten hun ware agenda verbergen. Wees kritisch. Wees wakker. En wees standvastig aan de zijde van de waarheid.

Team al-Yaqeen