|
06:26
Den Haag | Fadjr
gebedstijdMiddel 13gebedstijd
Middel 7
06:26
Middel 6
08:28
Middel 5
12:41
Middel 2
14:20
Middel 4
16:39
Middel 3
18:35
Alle gebedstijden
De bescheidenheid van de Profeet (vrede zij met hem)

Zijn bescheidenheid was allerminst bijzonder te noemen. Zijn bescheidenheid was er één van iemand die zijn Heer ontzagvol kende. Hij kende gêne jegens zijn Heer, verheerlijkte Hem, achtte hem met de gepaste hoogachting en gaf middels zijn gedrag blijk van eerbied tegenover Hem. Hij liet zich niet verleiden door de nietigheid van prestige, bezit en status. Met zijn mensenziel steeg hij op naar Allah en vluchtte hij naar het Eeuwige leven.

Niets van dit wereldse leven kon hem nog bekoren en hij groeide hierdoor uit tot een ware dienaar van Zijn Heer. Zo zou hij zich nederig opstellen tegenover de gelovigen, tijd nemen voor de ouderen, de zieken bezoeken, begaan zijn met de armen, de bedroefden troosten, de tranen drogen van de zwakkeren, met de kinderen spelen, met zijn vrouwen koketteren, de gemeenschap toespreken, met anderen samen eten en op de grond zitten en slapen.

Hij was tevreden met zijn Heer. Hij hunkerde niet naar faam, vermaardheid, standing of wereldse doeleinden. Hij zou de vrouwen zachtmoedig toespreken, de vreemdeling liefderijk benaderen, vrede stichten tussen de mensen en glimlachen naar zijn metgezellen.

Toen een man de Profeet (vrede zij met hem) eens zag, sidderde hij van ontzag, waarop hij (vrede zij met hem) zijn bezorgdheid wegnam, zeggende: “Kalm aan, waarlijk ik ben slechts de zoon van een vrouw die gedroogd vlees pleegde te eten in Mekka.”

(Ibnoe Maadjah, al-Haakim)

Hij had een afkeer van het ontvangen van vleiende opmerkingen en lofuitingen, zeggende: “Overdrijft niet in het verheerlijken van mij, zoals de Christenen met Iesaa ibnoe Maryam deden. Ik ben slechts de Dienaar van Allah en Zijn Boodschapper. Zegt dus: ,,Dienaar van Allah en Zijn Boodschapper.”

(al-Boechari)

Ook zou hij het verbieden om voor hem op te staan en pleegde hij met de mensen te zitten, zich onder hen te begeven en in te gaan op hun invitaties.

Hij verbood hoogmoed, verwierp dit en had een afschuw van de zijnen. Hij zei: “De hoogmoedigen zullen op de Dag der Opstanding voortgebracht worden ter grootte van stofdeeltjes. Vernedering zal hen van alle kanten omgeven.”

(Ahmad, at-Tirmidhi)

Ook is tot ons gekomen dat hij van zijn Heer overlevert: “Hoogmoed is Mijn bovenkleed en Heerlijkheid is Mijn onderkleed. Wie met Mij om één van deze twee twist; Ik zal hem in het Vuur werpen.”

(Moeslim, Aboe Daawoed)

Hij (vrede zij met hem) ligt nabij de harten. Een klein meisje zou hem bij de hand nemen en door de straten van Medina trekken. Een delegatie van cAamir ibnoe Sacsacah bezocht de Profeet (vrede zij met hem) eens en begon hem te verheerlijken, zeggende: “U bent de prominentste en meest vooraanstaande onder ons. U bent onze heer en de zoon van onze heer.” Waarop hij antwoordde: “O jullie mensen, Zeg wat jullie te melden hebben en laat de shaytaan jullie niet uitlokken (tot verkeerde uitspraken).”

(Ahmad, Aboe Daawoed)

Verder werd hij boos op de man die tegen hem zei: “Wat Allah wil en jij (wil).” En hij zei tegen hem: “O wee jij, heb je mij gelijk gesteld aan Allah! Neen, het is alleen wat Allah wil.”

(Ahmad, an-Nasaa’i)

Hij zou voorzien in de behoefte van zijn gezin, zijn schoeisel repareren, zijn kleding verstellen, zijn huis bezemen, zijn geit melken, het eten bereiden met zijn vrouwen, zijn gasten bedienen, zijn bezoekers toelachen en van beurt wisselen met zijn reisgenoot in het berijden van een rijdier. Hij pleegde wollen kleren te dragen, gerst te eten, soms blootsvoets te lopen, in de moskee te slapen, een ezel te berijden, anderen een lift aan te bieden, de zwakkeren te helpen en zich te bekommeren over het lot van zijn gemeenschap.

Moge de vrede en zegeningen van Allah hem rijkelijk toekomen.