|
18:37
Den Haag | cIshaa
gebedstijdMiddel 13gebedstijd
Middel 7
06:19
Middel 6
08:20
Middel 5
12:39
Middel 2
14:22
Middel 4
16:43
Middel 3
18:37
Alle gebedstijden
De Profeet (vrede zij met hem) in de omgang
Alle lof zij Allah en vrede en zegeningen zij met Zijn Boodschapper.
 
Hij (vrede zij met hem) was van alle mensen de meest betamelijke in de omgang met anderen. Als hij geld van iemand had geleend, dan gaf hij dit op de afgesproken tijd terug en sprak zijn enorme dank uit middels de volgende woorden: “Moge Allah jouw gezin en bezit zegenen. De enige beloning die een uitgekeerde lening verdient, zijn waardering en afbetaling.”
 
Eens leende hij (vrede zij met hem) een kameel van iemand. Toen de man om zijn kameel kwam vragen en daarbij zich onbeleefd gedroeg tegenover de Profeet (vrede zij met hem), wilden de metgezellen hem hardhandig terechtwijzen. De Profeet (vrede zij met hem) greep onmiddellijk in en zei: “Laat hem met rust, want wie een recht toekomt, moet de kans krijgen om te zeggen wat hij wil.”
 
Toen zich hetzelfde voorval herhaalde en cOmar de man wilde aanpakken, riep de Profeet (vrede zij met hem): “Rustig aan, O cOmar, het was beter voor mij geweest als jij mij tot het aflossen van de lening maande en het was beter voor hem geweest als jij hem tot geduld maande.”
 
Tevens kwam er een keer een joodse man voortijds zijn geld innen. Toen de Profeet (vrede zij met hem) terecht opmerkte dat het nog geen tijd was om het geld terug te geven, liet de man zich op een ongepaste wijze uit over de Profeet (vrede zij met hem). Toen de metgezellen stappen wilden ondernemen, werden zij door hem (vrede zij met hem) tot rust gedwongen. De joodse man zei toen: “Alle profetische tekenen had ik reeds in hem herkend, er restte slechts één teken. Zijn toename in zachtzinnigheid wanneer hij geconfronteerd wordt met een overmaat aan onwetendheid. Vandaar dat ik de proef op de som nam om te kijken of hij daadwerkelijk zo is.” Daarna trad de joodse man de Islam binnen.
 
En vrede en zegeningen zij met de Boodschapper van Allah.
 
Zaad ul-Macaad, blz. 61