|
06:18
Den Haag | Fadjr
gebedstijdMiddel 13gebedstijd
Middel 7
06:18
Middel 6
08:10
Middel 5
13:35
Middel 2
16:12
Middel 4
18:45
Middel 3
20:30
Alle gebedstijden
Fouten op en onderweg naar cArafah

Sheikh Mohammed Ibn al-cOethaymien heeft gezegd: “Het is overgeleverd dat de Profeet (vrede zij met hem) op de dag van cArafah in Namirah (een plaats vlakbij cArafah) verbleef, totdat de zon voorbij de zenit is (de begintijd van Salaat ad-Dhoehr). Daarna reed hij en stopte hij aan de voet Waadie cArnah (een vallei tussen Namirah en cArafah) waar hij (vrede zij met hem) het Dhoehr- en cAsr-gebed verrichtte. Hij kortte deze in tot twee Rakacaat en voegde het samen op de tijd van Dhoehr met één Adhaan en twee cIqaamahs. Daarna reed hij (op zijn rijdier), totdat hij arriveerde bij de standplaats en stond daar. Hij zei: “Ik sta hier, maar heel cArafah is een plaats om te staan.”

(Moeslim)

Daarna bleef hij staan, hief zijn handen op, deed Dhikr en smeekte Allah, totdat de zon compleet onder was. Daarna ging hij naar Moezdalifah.

Enkele van de fouten die sommige bedevaartgangers in cArafah begaan zijn:

1.     Sommige bedevaartgangers passeren je terwijl je hen de Talbiyah niet hoort opzeggen op hun weg van Mina naar cArafah. Het is overgeleverd dat de Profeet (vrede zij met hem) de Talbiyah bleef opzeggen, totdat hij de Djamaraat al-cAqabah deed op de dag van cIed.

 

2.     Eén van de meest ernstigse fouten die sommige pelgrims begaan is het stoppen buiten cArafah en daar blijven totdat de zon onder is, waarna zij vertrekken naar Moezdalifah. Degenen die hier blijven staan hebben de Hadj niet verricht. De Profeet (vrede zij met hem) heeft namelijk gezegd: “De Hadj is cArafah.”

(at-Tirmidhie;
Sahieh verklaard door Sheikh al-Albaanie in Irwaa' ul-Ghaliel)

Wie zich in de tijd van het staan niet bevindt in cArafah op een (stand)plaats die hiertoe behoort; diens Hadj is niet geldig vanwege de aangehaalde overlevering. En dit is ernstig.

Er zijn markeringen die duidelijk de grenzen van cArafah aangeven. Zij zijn niet verborgen, behalve voor degene die onzorgvuldig en nalatig is. Elke bedevaartganger dient te letten op de grenzen, zodat hij er zeker van is dat hij zich in cArafah bevindt en niet daarbuiten.

Ik wens dat degenen die de Hadj organiseren het de mensen op manieren zullen verkondigen, zodat het hen allen bereikt in verschillende talen. En zij de Hadj-leiders zullen vertellen de bedevaartgangers hiervoor te waarschuwen, zodat zij zich bewust zullen zijn van deze kwestie en hun Hadj op een juiste manier zullen verrichten.

3.     Sommige houden zichzelf bezig met het verrichten van Doecaa' (smeekbeden) aan het eind van de dag. Je ziet ze dus gericht naar de berg waarop de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) stond. Ook al bevindt de Qiblah zich achter hen, aan de rechter- of de linkerkant. Dit is onwetendheid en incorrect. Wat is voorgeschreven betreffende Doecaa' op de dag van cArafah is dat een persoon zich richt tot de Qiblah. Of de berg zich nu voor, achter rechts of links van hem bevindt. De Profeet (vrede zij met hem) richtte zich slechts tot deze berg omdat de plaats waar hij stond achter de berg was. Hij (vrede zij met hem) richtte zich tot de Qiblah. Maar omdat de berg tussen hem en de Qiblah in stond, had hij geen andere keuze dan zich ook hiertoe te richten.

4.     Sommige mensen denken dat zij naar de plaats naast de berg moeten gaan waar de Boodschapper van Allah stond en gaan daar ook staan. Je ziet dan dat zij zichzelf in moeilijke situaties brengen om die plaats te bereiken. Wellicht lopen terwijl zij onbekend zijn met de wegen, en krijgen zij honger en dorst als zij geen voedsel en water kunnen vinden, en raken zij verdwaald en lijden zij door dit alles veel schade. Dit allemaal vanwege een verkeerde gedachte! Het is overgeleverd van de Profeet (vrede zij met hem): “Ik sta hier, maar heel cArafah is een plaats om te staan.”

(Moeslim)

Het is alsof de Profeet (vrede zij met hem) erop wijst dat niemand moeilijkheden moet doormaken om op de plaats te komen van het staan waar de Profeet (vrede zij met hem) heeft gestaan. Daarentegen dienen de mensen te doen wat makkelijk voor hen is, omdat heel cArafah een plaats om te staan is.

5.     Sommige denken dat de bomen in cArafah zijn zoals de bomen in Mina en Moezdalifah. Namelijk dat het niet toegestaan is een blad of tak weg te halen, etc. Zij denken dat het kappen van bomen, net als het jagen, te maken heeft met de Ihraam. Dit is een verkeerde gedachte. Het kappen van de bomen heeft namelijk niets van doen met de Ihraam maar met de plaats. Bomen binnen de grenzen van al-Haram zijn onschendbaar en dienen niet gekapt te worden en geen blad of tak mag worden weggehaald. Wat zich buiten de grenzen van al-Haram bevindt, mag wel worden gekapt. Ook al bevindt een persoon zich in staat van Ihraam.

Op basis hiervan is er niets mis met het kappen van bomen op cArafah. De bomen die zijn geplant door mensen vallen niet onder het verbod op het hakken van bomen in al-Haram, maar zijn om een andere reden verboden. Namelijk het schenden van de rechten van de planters (van deze bomen) en de rechten van de bedevaartgangers als deze bomen zijn geplant om de mensen te beschermen tegen de hitte van de zon.

De geplante bomen in cArafah mogen dus niet gekapt worden. Niet vanwege de heiligheid van de plaats, maar omdat het omhakken ervan een overtreding is van de rechten van alle moslims.

6.     Sommige bedevaartgangers denken dat de berg waarop de Profeet (vrede zij met hem) stond heilig en speciaal is. Daarom gaan zij er naartoe, beklimmen het en zoeken zegeningen bij de stenen en de grond. Zij hangen stukken stof aan de bomen en doen allerlei andere zaken. Dit zijn religieuze innovaties (Bidac). Het is niet voorgeschreven om de berg te beklimmen, er te bidden of er stukken stof op te hangen aan de bomen. Niets hiervan is overgeleverd van de Profeet (vrede zij met hem). Sterker nog, zulke zaken rieken naar afgoderij! De Profeet (vrede zij met hem) passeerde eens een boom van de veelgodenaanbidders waaraan zij gewoon waren hun wapens te hangen. Degene die met hem waren vroegen: “O Boodschapper van Allah, maak voor ons een Dhaat Anwaat (naam van de boom) zoals hun Dhaat Anwaat.” De Profeet (vrede zij met hem) zei hierop: “Allaahoe Akbar (Allah is de Grootste)! Dit zijn gebruiken. En jullie volgen de gebruiken van degenen voor jullie? Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel zich bevindt, jullie spreken zoals de kinderen van Israël spraken tot Moesa, zeggende: “Maak voor ons een god zoals hun goden hebben.”

(at-Tirmidhie;
Hasan verklaard door Sheikh al-Albaanie in Sahieh us-Soennah libni abie cAasim)

Deze berg is niet heilig. Het is als elke andere heuvel en vallei in cArafah. De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) stond daar en daarom is het voorgeschreven om daar te staan waar de Profeet (vrede zij met hem) stond als dit mogelijk is. Maar het is niet verplicht. Niemand moet de zaken moeilijk voor zichzelf maken door hiernaartoe te gaan om de hierboven vermelde redenen.

7.     Sommige denken dat het noodzakelijk is om Dhoehr en cAsr met de imam in de moskee te verrichten. Zo zie je ze dus van ver hiernaartoe gaan om bij de imam in de moskee te zijn. Dit veroorzaakt veel moeilijkheden en velen van hen verliezen de weg. Dit maakt de Hadj te zwaar voor hen. Zij verdringen elkaar en irriteren elkaar. De Profeet (vrede zij met hem) zegt over het staan: “Ik sta hier, maar heel cArafah is een plaats om te staan.”

(Moeslim)

Ook zei hij (vrede zij met hem): “De aarde is voor mij gemaakt tot een plaats voor gebed en reiniging.

(al-Boekhaarie en Moeslim)

Als een persoon dus het gebed verricht in zijn tent op een rustige en waardige manier, zonder gestoord te worden of anderen te storen en zonder moeilijkheid die de Hadj te zwaar maakt, dan is dit beter.

8.     Sommige vertrekken van cArafah vóórdat de zon onder is en gaan naar Moezdalifah. Dit is een ernstige fout en is net als het handelen als de veelgodenaanbidders die gewoon waren cArafah te verlaten vóór zonsondergang. Ook druist dit in tegen (het gebruik van) de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem). Hij verliet cArafah niet totdat de zon onder was en de gele gloed grotendeels verminderd was. Dit zoals vermeld in de overlevering van Djaabir (moge Allah tevreden met hem zijn).

Op basis hiervan dienen de bedevaartgangers binnen de grenzen van cArafah te blijven, totdat de zon onder is. Want het staan duurt tot de zon onder is. Zoals het bijvoorbeeld ook niet toegestaan is voor de vastende om het vasten te verbreken vóór zonsondergang, zo is het ook niet toegestaan voor degene die staat op cArafah om vóór zonsondergang te vertrekken.

9.     Het verdoen van tijd in zaken die niet van nut zijn. Zo zie je mensen van het begin tot het einde van de dag zich bezighouden met (onzinnige) gesprekken, ook al lijken die onschuldig en vrij te zijn van geroddel. Of tast men juist wel de eer aan van mensen door laster en eten zij (daardoor) hun vlees. Als het dit laatste betreft, dan is het een combinatie van twee verboden daden:

1.     Het eten van het vlees van de mensen en het roddelen over hen is een overtreding in staat van Ihraam. Allah zegt namelijk (interpretatie van de betekenis):

“Wie van plan is om hierin de Hadj te verrichten, moet tijdens de Hadj geen geslachtsgemeenschap hebben, noch een zonde begaan, noch twistgesprekken voeren.”

(Soerat al-Baqarah: 197)

2.     Het verdoen van tijd. Ook al is het gesprek onschuldig en bevat het niets dat verboden is, dan nog is dit het verdoen van tijd. Maar er is niets mis met een persoon die de tijd doorbrengt in onschuldige gesprekken voordat de zon de zenit (hoogtepunt) heeft bereikt. Maar nadat de zon de zenit heeft gepasseerd en de mensen Dhoehr en cAsr hebben verricht, dan is het beter om zich bezig te houden met Doecaa', Dhikr en reciteren van de Koran. Ook kan men spreken over profijtvolle zaken aangaande Islamitische kennis e.d. Dit zal de mensen verblijden en hoop geven op de Genade van Allah. Maar hij dient vooral aan het eind van de dag zijn kans benutten en zich bezighouden met Doecaa', smeken van Allah, Zijn Gunsten en Genade zoeken, volharden in de Doecaa' en het veelvuldig verrichten van Doecaa' met woorden die zijn overgeleverd in de Koran en authentieke Soennah. Dit zijn namelijk de beste smeekbeden. En het smeekgebed dat in deze tijd wordt verricht, heeft meer kans om verhoord te worden.

Daliel ul-Akhtaa’ allatie yaqaca fiehal-Haadj wal-Moectamir
(Gids over fouten gemaakt door Hadj- en cOemrah-pelgrims)