|
13:52
Den Haag | Dhoehr
gebedstijdMiddel 13gebedstijd
Middel 7
03:49
Middel 6
05:15
Middel 5
13:52
Middel 2
18:12
Middel 4
22:13
Middel 3
23:40
Alle gebedstijden
Het antwoord op twijfelkwesties (Shoeboehaat)

Wanneer je sommige mensen aanspreekt op bepaalde nieuwlichterijen1 die zij inzake de aanbidding begaan, komen zij met de weerlegging dat ‘het slechts nalaten van een daad door de Profeet (vrede zij met hem) welke niet gestaafd wordt met een bewijstekst die deze daad verbiedt, niet als bewijsgrond geldt’. Dit is bijvoorbeeld wat cAbdoellaah ibn Siddieq al-Ghoemaarie – moge Allah hem begenadigen – zei in zijn boek Hoesn ut-Tafahhum wad-Dark li Mas’alat it-Tark. Zij hebben dit begrip zelfs als een bij de Oesoel-geleerden vaststaande zaak gemaakt, waarbij zij de volgende Fiqh-regel aanhalen: ‘Het nalaten van een zaak (door de Profeet) is geen bewijsgrond voor het verbieden daarvan.’

Wij antwoorden als volgt: “Ja, deze uitspraak is gedaan door de geleerden en is vastgelegd in hun boeken. Het is gedaan door o.a. imam Ibn Daqieq al-cIed – moge Allah hem begenadigen – in zijn boek Ihkaam ul-Ahkaam Sharh cOemdat ul-Ahkaam, boekdeel 1, blz. 205) Hij zei tevens ergens anders: “Het nalaten (van een daad van aanbidding) is geen bewijsgrond voor het zich onthouden (daarvan).”

(boekdeel 1, blz. 188)

De regel is correct, maar zij wordt niet correct gebruikt. Dat heeft ertoe geleid dat er een scala aan nieuwlichterijen en innovaties in het leven is geroepen. De regel wordt immers door de geleerden in het algemeen gebruikt voor de daden die tot de gewoontes behoren en niet voor de daden van aanbidding, omdat het uitgangsbeginsel bij de gewoontes is dat ze toelaatbaar zijn. Het achterwege laten van een daad die tot gewoontes behoort, is immers geen bewijsgrond voor het verbieden daarvan. Denk bijvoorbeeld aan het achterwege laten van het eten van de doornstaartagamen(Dhab). Let dus op! Bij dit soort voorbeelden wordt dus gezegd: “Tot de doelstellingen van het achterwege laten (van een daad) behoort het ‘achterwege laten (ervan) wegens de verafschuwing (die verankerd is) in (de) geaardheid (van een bepaalde persoon)’.”

Imam ash-Shaatibe (moge Allah hem begenadigen) zei daarom over de overlevering van doornstaartagamen, ook wel de overlevering van Khaalid ibn ul-Walied (moge Allah tevreden met hem zijn) genoemd: “Er werd een gebraden doornstaartagamenaan de Profeet (vrede zij met hem) voorgeschoteld, waarna hij zich voorover boog om ervan te eten. Maar toen hem werd verteld dat het een doornstaartagamenbetrof, trok hij zijn hand terug. Toen zei Khaalid: “Is hij Haraam?” Hij antwoordde: “Nee, maar hij komt niet voor in het land van mijn volk, dus heb ik er een aversie van.”

(al-Boekhaarie en Moeslim)

Imam ash-Shaatiby zei: “Dit is het achterwege laten van het toegestane op grond van geaardheid. Daar is dus niets op tegen.”

(al-Moewaafaqaat, boekdeel 4, blz. 60)

De aanbiddingen verschillen echter daarvan, omdat bij aanbiddingen het verbod en de onthouding als uitgangbeginsel gelden, zoals vastgesteld (door de geleerden) en bekend is. De islamitische rechtsgeleerde Ibn cAshier (moge Allah hem begenadigen) zei in zijn boek al-Moershid ul-Moecien:

“Men onthoudt zich van zaken totdat bekend is
Hoe Allah (Zijn Wet) daarin heeft voorzien.”

Dit wordt bevestigd door de uitspraak van de Profeet: “Wie een daad (van aanbidding) verricht waar onze zaak niet in voorziet, deze (daad) wordt verworpen.”

Skeikh Saalih al-Fawzaan (moge Allah hem bewaren) zegt: “Het uitgangsbeginsel in (het verrichten) van daden die tot gewoontes behoren is toelaatbaarheid. Het achterwege laten van een daad die tot de gewoontes behoort, is immers geen bewijsgrond voor het verbieden daarvan. De Profeet (vrede zij met hem) heeft bijvoorbeeld de doornstaartagamenniet gegeten. Is dit dan een bewijsgrond voor het verbieden daarvan? Nee, want het nalaten van een daad is geen bewijsgrond voor het verbieden daarvan, dit betreft gewoontes. Maar als het gaat om (het verrichten van) daden van aanbidding, dan is het uitgangsbeginsel daarin een verbod! Tenzij er toestemming daarvoor voorhanden is…”

(Shoeboehaat wa Roedoed)

Tot de voorbeelden van het achterwege laten van (het verrichten van) een daad van aanbidding behoort: de gebedsoproep tot de twee cIed-gebeden.

Al-Boekhaarie (moge Allah hem begenadigen) heeft overgeleverd in zijn Sahieh, in het hoofdstuk ‘Het te voet en op een rijdier gaan naar het cIed-gebed, zonder Adhaan of Iqaamah’: “cAtaa’ heeft overgeleverd dat Ibn cAbbaas (de metgezel) Ibn uz-Zoebayr had aangeschreven toen hij voor het eerst de belofte van getrouwheid kreeg, zeggende: “Er werd niet tot het cIed-gebed opgeroepen in cIed al-Fitr, en de preek volgde na het gebed.”

Al-Haafidh ibnoe cAbdil-Barr (moge Allah hem begenadigen) zei in zijn boek at-Tamhied, boekdeel 24, blz. 239): “Het is een zaak waar geen meningsverschil over bestaat tussen de geleerden en geen geschil tussen de rechtsgeleerden, dat er Adhaan noch Iqaamah wordt verricht in cIed-gebeden. Noch in enige Soennah- of Naafilah gebeden. De Adhaan is slechts voorbehouden aan de verplichte gebeden.”

Sheikh ul-Islaam ibn Taymiyah (moge Allah hem begenadigen) zei: “Het feit dat hij (d.w.z. de Profeet vrede zij met hem) de Adhaan voor het vrijdaggebed gebood te verrichten, terwijl hij de cIed-gebeden heeft verricht zonder Adhaan of Iqaamah, is een bewijs dat het achterwege laten van de Adhaan (bij decIed-gebeden) de Soennah is. Het is dus niemand toegestaan om iets daaraan toe te voegen. Een toevoeging daaraan is zelfs te vergelijken met het toevoegen van een gebed aan het bekende aantal gebeden, het toevoegen van een gebedseenheid (Rakcah) aan het bekende aantal gebedseenheden, het toevoegen van een dag aan de verplichte vastendagen of (iets toevoegen) aan de rituelen van de bevolen Hadj en dergelijke.”

(Iqtidaa’ us-Siraat il-Moestaqiem, blz. 134)

Tot deze voorbeelden behoort ook het vieren van de zogenaamde Mawlid an-Nabawie (geboorte van de Profeet).

De hooggeleerde Ibn Hadj al-Maaliki (moge Allah hem begenadigen) zei in zijn boek al-Madkhal, boekdeel 2, blz. 312): “Indien zij (d.w.z. de daad van Mawlid) vrij is daarvan (d.w.z. van gezang) en hij slechts eten maakt met de intentie dat dit voor Mawlid is bedoeld, en hij daarvoor broeders uitnodigt, en verder vrij is van alles wat voormeld is (d.w.z. van verdorvenheden), dan is dat een nieuwlichterij alleen al wegens zijn intentie. Want dat is een toevoeging aan de godsdienst die niet behoort tot de handelingen van de voorgangers (Salaf) die zijn heengegaan. Het volgen van de voorgangers (Salaf) heeft immers de voorkeur. Het is zelfs eerder verplicht dan het toevoegen van een intentie die indruist tegen datgene wat zij deden. Dit omdat zij mensen waren die de Soennah van de Profeet het meest punctueel volgden. Zij waren immers mensen die hem (vrede zij met hem) en zijn Soennah het meest eerbiedig waren en omdat zij bovendien voorsprong hadden in het nemen van het initiatief om dat te doen. Er werd van niemand van hen overgeleverd dat hij de intentie tot de Mawlid (ooit) heeft opgebracht. Wij dienen hen te volgen en genoegen te nemen met datgene waar zij genoegen mee namen… etc.”

Tevens zei de hooggeleerde Aboe cAbdillaah al-Hafar al-Maalikie (moge Allah hem begenadigen): “De vrome voorgangers (as-Salaf us-Saalih), zijnde de metgezellen van de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) en de generatie die hen volgde (de Tabicoen), kwamen niet bijeen omwille van de aanbidding in de nacht van al-Mawlid, noch deden zij daarin meer dan ze deden in de overige nachten van het jaar, omdat de Profeet slechts geëerbiedigd wordt op de wijze waarop de Islam heeft voorgeschreven hem te eerbiedigen. Zijn eerbiediging behoort tot de grootste zaken waarmee men dichter bij Allah kan komen, maar men komt dichter bij Allah (Verheven zij Hij) met datgene wat Hij heeft voorgeschreven. Het bewijsgrond voor het feit dat de vrome voorgangers daarin niet meer deden dan wat zij in de overige nachten deden, is het feit dat zij van mening verschilden over de datum waarin zij (de geboorte) plaats heeft gevonden. Enerzijds werd gezegd dat hij (vrede zij met hem) in de maand Ramadan geboren is, en anderzijds dat hij in de maand Rabiec ul-Awwal geboren is.

Over de dag van de geboorte bestaan er vier verschillende meningen. Als die nacht die gevolgd werd door de ochtend waarin hij werd geboren een aanbidding zou moeten bevatten wegens de geboorte van het Beste der Schepselen (vrede zij met hem), dan zou zij bekend en roemrijk zijn en zou er geen verschil van mening daarover bestaan. Aangezien dit er niet is, geeft dat aan dat er geen extra eerbiediging (in die nacht) is voorgeschreven… Als daar een aanzet toe wordt gegeven, dan zou een volk komen dat zou zeggen: “De dag van zijn emigratie naar Medina is een dag waarin Allah de Islam glorie heeft geschonken, men dient dus op deze dag bij elkaar te komen en daden van aanbidding te verrichten.”

Anderen zouden zeggen: “In de nacht waarin Allah hem de nachtreis heeft laten ondergaan is hem een onmeetbare eer toegekomen, dan zou er ook een daad van aanbidding in teweeg moeten worden gebracht.”

Dit zou dan ook geen einde hebben. Alle heil is in het volgen van de vrome voorgangers die Allah voor hem (vrede zij met hem) heeft gekozen. Wat zij deden doen wij en wat zij achterwege lieten laten wij ook achterwege. Als dit vast komt te staan, dan wordt duidelijk dat het bij elkaar komen in die nacht Islamitisch niet wordt verlangd, er wordt juist bevolen om dat achterwege te laten.”

(Al-Micyaar ul-Moecrib, van al-Wansharisie, boekdeel, 7, blz. 99-100)

Het is dus duidelijk dat het verrichten van datgene wat de Profeet en zijn metgezellen achterwege lieten op het gebied van aanbidding, terwijl de vereisten voor het verrichten daarvan wel bestonden, alsook de aanleiding tot het overleveren daarvan, en er geen beletselen waren die het verrichten daarvan zouden beletten, een nieuwlichterij is en het achterwege laten ervan Soennah (islamitisch-correct) is. Dit is dan ook wat bekend staat als as-Soennah at-Tarkiyyah (de Soennah op grond van nalaten). Het volgen van de Soennah wordt inzake de daden van aanbidding dus gerealiseerd door het achterwege laten van datgene waarvan bekend staat dat het achterwege werd gelaten en het verrichten van datgene waarvan bekend staat dat het werd verricht, zoals imam ash-Shaficie (moge Allah hem begenadigen) ook zei: “… maar wij volgen de Soennah al doende en al latende.”

(al-Fath, boekdeel 3, blz. 475)

De hooggeleerde as-Sancaanie (moge Allah hem begenadigen) zegt: “Datgene waarvoor in zijn tijdperk (d.w.z. in het tijdperk van de Profeet) wel een aanleiding bestond en hij het toch niet heeft verricht; het verrichten ervan na zijn tijdperk is een nieuwlichterij.”

(Soeboel us-Salaam, boekdeel 1, blz. 227)

Zie ook de vermelding daarvan in al-Fataawa al-Hadiethiyyah van al-Haythamie (moge Allah tevreden met hem zijn), blz. 307. Alsook het boek al-Ibdaac van Ali Mahfoedh, blz. 43 en de daaropvolgende pagina’s. Het boek Ahsan ul-Kalaam fiemaa yatacallaq bis-Soennah wal-Bidcah min al-Ahkaam, van Sheikh Bakhiet al-Moetiec (moge Allah hem begenadigen), blz. 13. Het boek Rasaa’il ul-Islaah van Sheikh al-Khidhr Hoesayn (moge Allah hem begenadigen), boekdeel 2, blz. 166 en het boek Maqaasid ush-Shariecah van cAllaal al-Faasie (moge Allah hem begenadigen), blz. 182.

Sheikh cAli Mahfoedh (moge Allah hem begenadigen) zei: “Weet dat de Soennah van de Profeet plaatsvindt met het achterwege laten (van daden), net zoals zij plaatsvindt met het verrichten (daarvan). Net zoals Allah ons heeft belast om de Profeet te volgen in zijn daden waarmee men dichter bij Allah komt, zolang deze niet behoren tot de daden die aan hem zijn voorbehouden. Zo heeft hij ons ook bevolen hem te volgen in datgene wat hij heeft nagelaten, dus het nalaten (van daden die hij heeft nagelaten) is Soennah. Net zoals je niet dichter bij Allah kunt komen door het nalaten van datgene wat hij (d.w.z. de Profeet) wel heeft gedaan, zo zal je ook niet dichter bij Hem komen door het wel verrichten van datgene wat hij heeft nagelaten. Er is immers geen verschil tussen de verrichter van datgene wat hij heeft nagelaten en degene die datgene wat hij wel heeft gedaan nalaat.”

(Al-Ibdaac fie Madhaar il-Ibtidaac, blz. 43)

Dit zijn de uitgelezen uitspraken in deze kwestie. Dit is door meerdere geleerden verduidelijkt, zoals Ibn Taymiyah in zijn boek al-Fataawa, boekdeel 21, blz. 317). Zijn leerling Ibn ul-Qayyim (moge Allah hem begenadigen) in zijn boek Iclaam ul-Moewaqqicien, boekdeel 2, blz. 371). Ash-Shaatibie in zijn boek al-Ictisaam, boekdeel 1, blz. 360. Zie het boek al-Hawaadith wal-Bidac van at-Tartoeshie (moge Allah hem begenadigen) en het boek at-Taclieq calar-Rawdat in-Nadiyyah van Ahmad Shaakir (moge Allah hem begenadigen), boekdeel 1, blz. 72.

Datgene wat zij hebben verduidelijkt wordt ook bevestigd door het feit dat de Soennah van de Profeet, welke hij ons heeft geboden te volgen, bestaat uit: uitspraken, daden en bevestigingen. De grote meerderheid van de Oesoel-geleerden hebben vastgesteld dat het nalaten (van een daad) op zich een daad is, en dit is dan ook de correcte mening. Zie het boek Daliel ut-Tarki baynal-Moehaddithien wal-Oesoeliyyien van Ahmad Kaafie, 139 en 144 en de daaropvolgende pagina’s.

De schrijver van het boek al-Maraaqie (moge Allah hem begenadigen) zei tevens:

“Dat wij ons onthouden is wat de Profeet verlangt met het verbieden
En het nalaten is wel een daad volgens de correcte mening van de wetschool”

Het bewijs daarvoor is de (Arabische) taal, het Boek (van Allah), de Soennah (van de Profeet) en de Aathaar (overige overleveringen).

Wat taal betreft, voeren de geleerden datgene aan wat een moslim die tot de Ansaar behoorde zei, terwijl de Profeet zelf bezig was met het bouwen van zijn moskee, namelijk:

“Als wij gaan zitten, terwijl de Profeet aan het werk is
Dan zou dat een afgedwaalde daad onzerzijds zijn.”

De hooggeleerde ash-Shanqietie (moge Allah hem begenadigen) zei: “De betekenis van ‘wij gaan zitten’ is ‘wij laten het na de moskee te bouwen’, en hij noemde dit nalaten een daad toen hij zei: ‘Dan zou dat een afgedwaalde daad onzerzijds zijn’.”

(Moethakkirah fie Oesoel il-Fiqh, blz. 39
Zie Tabaqaat ush-Shaaficiyyat ul-Koebra van as-Soebkie, boekdeel 1, blz. 99)

Het bewijs uit de Koran is (interpretatie van de betekenis):

“Zij verboden elkaar het slechte dat zij verrichtten niet. Slecht is datgene wat zij deden.”

(Soerat al-Maa’idah: 79)

De hooggeleerde ash-Shanqietie zei: “Hij (Verheven is Hij) heeft in dit Edele Vers ‘het nalaten elkaar aan te sporen om de zonden na te laten’ een daad genoemd… en de ondubbelzinnigheid van de bewijsgrond die dit vers bevat met betrekking tot het voornoemde is duidelijk zoals je ziet.”

(Adhwaa’ ul-Bayaan, boekdeel 6, blz. 256)

Het bewijs uit de Soennah is de volgende uitspraak van de Profeet: “De (echte) moslim is hij aan wiens handen en tong de moslims zijn ontkomen.”

(al-Boekhaarie)

De hooggeleerde ash-Shanqietie zei in zijn boek al-Moedhakkirah, blz. 39: “Het nalaten van overlast is (in deze overlevering) Islam genoemd, dit geeft aan dat het nalaten op zich een daad is.”

Tot de Aathaar (overige overleveringen) behoort de uitspraak van Aboe Hoerayrah gericht aan Marwaan: “Heb jij de woekerkoop Halaal verklaard, o Marwaan!”

(Moeslim)

Az-Zarqaanie (moge Allah hem begenadigen) zei: “…daarin is inbegrepen dat het nalaten op zich een daad is, want hij heeft zelf de woeker niet Halaal verklaard, maar heeft slechts het nagelaten om (mensen) aan te spreken (op het overtreden van het verbod daarop).”

(Sharh uz-Zarqaanie calal-Moewatta’, boekdeel 3, blz. 369)

En dientengevolge omvat het volgen van het voorbeeld van de Profeet op het gebied van aanbidding zowel het verrichten van daden, als het nalaten ervan.

De hooggeleerde as-Shawkaanie zei: “…het nalaten van iets door de Profeet is gelijk aan het verrichten daarvan als het gaat om het volgen van zijn voorbeeld daarin.”

(Irshaad ul-Foehoel, blz. 83)

Imam Ibn ul-Moeflih (moge Allah hem begenadigen) zei in zijn boek al-Oesoel, boekdeel 1, blz. 335-336: “Het volgen van het voorbeeld (van de Profeet) is dat je handelt zoals hij handelt op zijn (handel)wijze en omwille van zijn handeling, en hetzelfde geldt voor het nalaten.”

Vertaald door Stichting as-Soennah

 

1.     Daden die niet teruggevoerd kunnen worden op de Profeet (vrede zij met hem) noch op zijn metgezellen (Allah zij tevreden met hen), hoewel er wel aanleiding was in hun tijd om zulke daden te verrichten en er geen beletsels waren om ze achterwege te laten.