|
18:38
Den Haag | cIshaa
gebedstijdMiddel 13gebedstijd
Middel 7
06:17
Middel 6
08:17
Middel 5
12:38
Middel 2
14:23
Middel 4
16:44
Middel 3
18:38
Alle gebedstijden
Mohammed, de zon die nooit ondergaat.

In deze lezing wil ik het hebben over de voorman van de leiders, de meest prominente onder de prominenten. Ik wil het hebben over een maan waarvan het licht dat van alle sterren overtreft, een maan die de weg verlicht voor degenen die het spoor bijster zijn geraakt. Ik wil het hebben over de zon die nooit ondergaat, de zon die onze harten verwarmt en onze zorgen wegneemt met haar stralende gloed. 

Ik wil het hebben over Mohammed (vrede zij met hem) waarover de Almachtige zegt:
 
يَا أَيُّهَا النَّبِيُّ إِنَّا أَرْسَلْنَاكَ شَاهِداً وَمُبَشِّراً وَنَذِيراً
وَدَاعِياً إِلَى اللَّهِ بِإِذْنِهِ وَسِرَاجاً مُّنِيراً
 
“O jij Profeet, Wij hebben jou gestuurd als getuige en als verkondiger van blijde tijdingen en als waarschuwer en als een oproeper tot Allah, met Zijn Toestemming, en als een verlichtende lamp.”
(soerat al-Ahzaab:46-47)
 
Ik wil het hebben over de morgenstond die de duisternis heeft verdreven, de dageraad die ons een nieuwe ochtend heeft geschonken en met zijn licht de wereld heeft overspoeld.
 
Djaabir (moge Allah weltevreden met hem zijn) heeft gezegd: “Ik zag de Boodschapper van Allah op een heldere nacht, waarna ik naar de Boodschapper van Allah begon te kijken, die een rood gewaad droeg en vervolgens naar de maan. Toen besefte ik dat hij voor mij mooier was dan de maan.”
(Thirmidhi)
 
Ook zei Anas ibnoe Maalik (moge Allah weltevreden met hem zijn): “Op de dag waarop de Boodschapper van Allah al-Madienah binnenkwam, werd alles van licht voorzien en op de dag dat hij het leven liet, werd alles donker.”
 
Ik wil het hebben over de leidende richtsnoer, de lichtbron die nooit uitgaat. De man die de duisternis uit onze harten heeft verjaagd en deze vervolgens met licht heeft gevuld. De man die leiding bracht na tijden van dwaling, gelukzaligheid na tijden van rampspoed, leven na tijden van dood. Ontdaan waren wij van iedere hoop. Gekneveld door onwetendheid, onderdrukt door afgoderij. Wij stonden op het randje van de afgrond toen Allah ons in veiligheid bracht middels deze grootse man. Allah zegt:
 
وَاعْتَصِمُواْ بِحَبْلِ اللّهِ جَمِيعاً وَلاَ تَفَرَّقُواْ وَاذْكُرُواْ نِعْمَتَ اللّهِ عَلَيْكُمْ إِذْ كُنتُمْ أَعْدَاء فَأَلَّفَ بَيْنَ قُلُوبِكُمْ فَأَصْبَحْتُم بِنِعْمَتِهِ إِخْوَاناً وَكُنتُمْ عَلَىَ شَفَا حُفْرَةٍ مِّنَ النَّارِ فَأَنقَذَكُم مِّنْهَا كَذَلِكَ يُبَيِّنُ اللّهُ لَكُمْ آيَاتِهِ لَعَلَّكُمْ تَهْتَدُونَ
 
“En houdt jullie allen stevig vast aan het Koord (de godsdienst) van Allah en wees niet verdeeld. Gedenkt de Gunst Die Allah jullie schonk toen jullie vijanden waren en Hij jullie harten tot elkaar bracht en jullie door Zijn Gunst broeders werden, toen jullie op de rand van de afgrond van de Hel waren en Hij jullie ervan redde. Zo heeft Allah Zijn Tekenen voor jullie duidelijk gemaakt. Hopelijk zullen jullie leiding volgen.”
(soerat Aali-cImraan: 103)
 
Ik wil het hebben over de mooiste liefdesverhalen en de meest complete geliefde, wiens liefde stenen deed praten en boomstammen aan het huilen bracht.
 
Djaabir ibnoe cAbdillaah vertelde dat de Profeet (vrede zij met hem) de gewoonte had om tijdens het preken op een boomstam te gaan staan. Toen de metgezellen later een preekstoel voor hem hadden gemaakt en hij daarop is gaan staan, hoorde de metgezellen ineens de bewuste boomstam als een klein kind huilen en dit duurde voort totdat de Profeet (vrede zij met hem) op hem afging en zijn hand erop plaatste. Pas daarna stopte de boomstam met huilen. En weet je waarom deze boomstam begon te huilen? Omdat de Profeet hem had ingeruild voor een preekstoel. Hij kon het niet verdragen dat hij niet meer als staanplaats voor de Profeet diende.
 
Al-Hassan al-Basri was dan ook gewoon om het volgende te zeggen met betrekking tot deze overlevering: “O verzameling moslims. Zie hier een stuk hout die genegenheid voelt voor de Profeet en naar hem verlangt. Dit terwijl jullie de eersten zouden moeten zijn die naar hem zouden moeten verlangen.”
 
Ook vertelt Djaabir ibnoe Samoerah (moge Allah weltevreden met hem zijn) dat de Profeet (vrede zij met hem) heeft gezegd: “Voorwaar, ik ken een steen die in Mekka ligt die mij plachte te groeten voordat ik de profeetschap ontving en ik kan hem nu nog steeds aanwijzen.”
 
En ook toen een keer de Profeet (vrede zij met hem) een blik op de berg Oehoed wierp, zei hij (vrede zij met hem): “Oehoed is een berg die ons lief heeft en die wij ook lief hebben.”
 
Zie, O beste mensen, hoe zelfs stenen, bomen en bergen onze Profeet lief hebben en het kan ook niet anders, want hij is de beste die ooit op aarde heeft rondgelopen. Zijn gezicht is het beste gezicht dat ooit door de zon is beschenen of beter gezegd, hij is de zon die onze wereld met licht, blijdschap en vreugde bestraalt. Hij is de zon die nooit ondergaat!
 
Als dit het gevoel is dat de Profeet (vrede zij met hem) bij stenen en bergen teweegbrengt, wat dan te denken van de mensen die hem van dichtbij hebben mogen meemaken. Die hem met hun ogen hebben mogen bezichtigen, die hem met hun oren luisterend mochten waarnemen. Hun liefde was niet in woorden uit te drukken. Nog nooit heeft iemand zoveel van een ander gehouden zoals de metgezellen van de Profeet (vrede zij met hem) hielden.
 
Er kwam een man bij de Profeet (vrede zij met hem) en zei tegen hem: “O Boodschapper van Allah, u bent mij dierbaarder dan mijzelf en u bent mij dierbaarder dan mijn kinderen. En soms, terwijl ik thuis zit, denk ik aan u en dan kan ik het niet over mijn hart halen om niet op te staan en hier naartoe te komen om naar u te kijken. En soms denk ik aan mijn dood en de uwe en dan weet ik dat wanneer u het Paradijs binnengaat, u naar het niveau van de Profeten omhoog gebracht zal worden. En als ik het Paradijs binnen zal gaan, dan vrees ik dat ik u niet meer zal zien.” In eerste instantie werd er door de Profeet (vrede zij met hem) niets teruggezegd, totdat Allah de volgende Woorden openbaarde die de Profeet (vrede zij met hem) dan ook voordroeg, namelijk:
 
وَمَن يُطِعِ اللّهَ وَالرَّسُولَ فَأُوْلَـئِكَ مَعَ الَّذِينَ أَنْعَمَ اللّهُ عَلَيْهِم مِّنَ النَّبِيِّينَ وَالصِّدِّيقِينَ وَالشُّهَدَاء وَالصَّالِحِينَ وَحَسُنَ أُولَـئِكَ رَفِيقاً
 
“En wie Allah en de Boodschapper gehoorzaamt; zij zijn met de Profeten en de waarachtigen en de martelaren en de oprechten die Allah heeft begunstigd. Zij zijn de beste metgezellen!”
(soerat an-Nisaa’: 69)
 
Ook plachte een andere metgezel, genaamd Rabiecah ibnoe Kacb altijd in dienst te staan van de Profeet (vrede zij met hem). Op een dag bracht hij de Profeet water, waarna de Profeet (vrede zij met hem) tegen hem zei: “Vraag mij wat je wilt.” De meeste van ons zullen zo’n kans met beide handen aangrijpen om zich in het wereldse te verrijken. Zij zullen vragen om rijkdommen, sieraden, auto’s, huizen, bedienden, geld, enzovoorts. Maar niet deze metgezellen die opgevoed waren door de Profeet (vrede zij met hem). Hij zei: “Ik vraag om samen met jou te zijn in het Paradijs.”
 
Groter dan dit kan niet. Meer eer dan dit kan een persoon niet toekomen. Het zijn van een metgezel van de Profeet (vrede zij met hem) in het Paradijs! En deze grote liefde voor de Profeet (vrede zij met hem) beperkt zich niet tot de mannen, maar ook de vrouwen konden er wat van. Toen een vrouw in de tijd van de Profeet (vrede zij met hem) te horen kreeg dat haar man, vader en broer waren omgekomen tijdens de slag van Oehoed, vroeg zij onmiddellijk: “En hoe is het gesteld met de Profeet?” De metgezellen antwoordden: “Het gaat hem goed.” Toen zei zij: “Laat de Profeet (vrede zij met hem) aan mij zien, zodat ik hem kan aanschouwen.” Toen de metgezellen haar naar hem brachten en zij hem zag, riep zij meteen: “Zolang het goed gaat met u, acht ik alle andere tegenslagen als niets.” Oftewel, zolang de Profeet (vrede zij met hem) ongedeerd is, kan de rest haar allemaal ontnomen worden.
 
Een andere metgezel, die een groot voorbeeld heeft nagelaten wat betreft het houden van de Profeet (vrede zij met hem), is Zayd ibnoe Dathina die opgepakt werd door Qoeraysh en vervolgens werd afgevoerd om gedood te worden. Toen het zover was, zei Aboe Soefyaan, toentertijd nog stamhoofd van Qoeraysh: “Zou je niet wensen dat je nu thuis samen met je familie zat en dat Mohammed jouw plaats zou innemen om gedood te worden?” Waarna Zayd (moge Allah weltevreden met hem zijn) vol overtuiging de volgende woorden sprak: “Ik zou niet eens wensen dat ik temidden van mijn familie zit en Mohammed daar is waar hij zich nu bevindt en door een doorn gestoken zou worden!”
 
Een ander verhaal dat de moeite waard is om te vertellen, is dat van Sawaad ibnoe Ghazziyyah. Toen de Profeet (vrede zij met hem) op de dag van Badr bezig was met het rechtmaken van de rijen van de strijders, stond Sawaad ibnoe Ghazziyyah iets buiten de rij. Waarna de Profeet (vrede zij met hem) Sawaad met iets dat hij in zijn hand had in zijn buik prikte en hij droeg hem op een stap naar achteren te doen. Toen zei Sawaad (moge Allah weltevreden met hem zijn): “O Boodschapper van Allah, u hebt mij pijn gedaan. En aangezien u bent gekomen met de Waarheid en Rechtvaardigheid, wil ik dat u mij mijn recht geeft.” De Profeet (vrede zij met hem) ontblootte vervolgens zijn buik en zei tegen hem: “Neem je recht!” Waarna Sawaad hem omhelsde en zijn buik kuste. Toen de Profeet (vrede zij met hem) aan hem vroeg: “Waarom heb je dit gedaan?”, antwoordde Sawaad: “O Boodschapper van Allah, u ziet wat ons in het verschiet ligt (doelende op de strijd) en daarom wil ik dat mijn laatste herinnering aan u dit contact was tussen mijn huid en de uwe.”
 
Het is deze liefde die de metgezellen voelden voor de Profeet (vrede zij met hem). In zoverre dat zij na zijn dood de tranen niet konden bedwingen wanneer zijn naam werd genoemd. Het is deze liefde die wij ook moeten voelen. Wij zouden de Profeet (vrede zij met hem) in onze harten moeten sluiten. Deze man die door alles en iedereen bemind wordt.
 
De hemel met al haar sterren, planeten, zon, maan en alles wat zich daarin bevindt, houden van de Profeet (vrede zij met hem). De aarde met al haar bergen, zeeën, rivieren, bomen en alles wat erop te vinden is, houden van de Profeet (vrede zij met hem). Wij vragen daarom Allah, de Verhevene, om ook onze harten te doen overlopen van liefde voor de Profeet (vrede zij met hem). En om ons in staat te stellen zijn Soennah uitvoerig te volgen. En laat onze liefde voor de Profeet (vrede zij met hem) die liefde die wij voelen voor onszelf, voor onze kinderen, voor onze moeders, vaders, vrouwen, bezittingen en alles overstijgen.
 
 
Uitgetypte lezing van Aboe Ismail
Locatie: Moskee as-Soennah
27 januari 2008