|
14:20
Den Haag | cAsr
gebedstijdMiddel 13gebedstijd
Middel 7
06:26
Middel 6
08:28
Middel 5
12:41
Middel 2
14:20
Middel 4
16:39
Middel 3
18:35
Alle gebedstijden
Tafsier soerat Al-Baqarah vers 144 – 147
Vers 144:
 
قَدْ نَرَى تَقَلُّبَ وَجْهِكَ فِي السَّمَاء فَلَنُوَلِّيَنَّكَ قِبْلَةً تَرْضَاهَا فَوَلِّ وَجْهَكَ شَطْرَ الْمَسْجِدِ الْحَرَامِ وَحَيْثُ مَا كُنتُمْ فَوَلُّواْ وُجُوِهَكُمْ شَطْرَهُ وَإِنَّ الَّذِينَ أُوْتُواْ الْكِتَابَ لَيَعْلَمُونَ أَنَّهُ الْحَقُّ مِن رَّبِّهِمْ وَمَا اللّهُ بِغَافِلٍ عَمَّا يَعْمَلُونَ
 
“Wij hebben reeds opgemerkt dat jij voortdurend met verlangen naar de Openbaring uitkijkt. Daarom zullen Wij jou wenden tot een richting die jou behaagt, namelijk al-Kacbah.” Dit duidt op de verheven status van de Profeet (vrede zij met hem), want Allah bespoedigt het vervullen van zijn wens. Hij droeg hem op te allen tijde en overal zijn gezicht te richten tot de Gewijde Moskee. Hieruit is op te maken dat men verplicht is om zich richting al-Kacbah te wenden tijdens verplichte en optionele gebeden.
 
Aangezien Allah hiervoor heeft gesproken over degenen die hier bezwaar tegen zouden voeren en Hij hun bezwaren heeft ontkracht, haalde Hij daarna de geleerden onder de Lieden van het Boek aan die weet hebben van de Waarheid Die Mohammed met zich meedraagt. Zij lezen dit in hun boeken, maar toch leggen zij zich daar niet bij neer als gevolg van hun hardnekkigheid en buitensporigheid. Daarom draagt Allah Zijn Profeet (vrede zij met hem) op om niet om te kijken naar hun uitspraken, want de Waarheid waarmee Mohammed (vrede zij met hem) is gekomen, is zonneklaar en behoeft geen verdere uitleg. Degene die vervolgens deze Waarheid verwerpt, is de aandacht niet waard.
 
Tot slot zegt Allah dat Hij op de hoogte is van de wanpraktijken van deze verloochenaars en hen een geweldige bestraffing in het vooruitzicht heeft gesteld. Deze Woorden gelden tevens als geruststelling voor de gelovigen.
 
 
Vers 145:
 
وَلَئِنْ أَتَيْتَ الَّذِينَ أُوْتُواْ الْكِتَابَ بِكُلِّ آيَةٍ مَّا تَبِعُواْ قِبْلَتَكَ وَمَا أَنتَ بِتَابِعٍ قِبْلَتَهُمْ وَمَا بَعْضُهُم بِتَابِعٍ قِبْلَةَ بَعْضٍ وَلَئِنِ اتَّبَعْتَ أَهْوَاءهُم مِّن بَعْدِ مَا جَاءكَ مِنَ الْعِلْمِ إِنَّكَ إِذَاً لَّمِنَ الظَّالِمِينَ
 
De Profeet (vrede zij met hem) wenste vurig dat de mensen geleid zouden worden. Daarom deed hij er alles aan om dit te verwezenlijken. Hij was gewoon om de mensen te vermanen en aan te moedigen om zich aan Allah te onderwerpen. Ook voelde hij verdriet wanneer zij weigerden in te gaan op zijn uitnodiging. Deze weigering van de kant van de ongelovigen was vaak het gevolg van hun halsstarrigheid en hoogmoedigheid. Daarom zegt Allah tegen Zijn Profeet dat zelfs als hij met alle bewijzen zou komen aanzetten, zij nog steeds niet overtuigd zouden raken. Ook zouden zij zich niet tot zijn Qiblah wenden, want het zich wenden tot zijn Qiblah vereist gehoorzaamheid richting hem (vrede zij met hem). Iets waar zij niet toe bereid waren.
 
Het niet volgen van de Qiblah van de Profeet (vrede zij met hem) door deze mensen, is op zich niet vreemd te noemen, want ook onderling is er geen sprake van bereidheid om elkanders Qiblah te aanvaarden.
 
Ook in het geval van de Profeet (vrede zij met hem) is het uitgesloten dat hij hun Qiblah boven die van hem verkiest, want zijn (vrede zij met hem) Qiblah behoort tot een die gefundeerd is op bewijzen en die voor de Waarheid staat, terwijl zij geen enkel bewijs kunnen aanvoeren voor hun valse overtuiging. Daarom spreekt Allah in hun geval niet van een geloof, maar van vals verlangen en daarom zegt Hij tegen Zijn Profeet dat indien hij hun verlangen zou volgen, hij daarmee onrecht zal begaan. Deze laatste Woorden zijn vanzelfsprekend ook bedoeld richting de gemeenschap van de Profeet (vrede zij met hem) in haar geheel.
 
 
Vers 146, 147:
 
الَّذِينَ آتَيْنَاهُمُ الْكِتَابَ يَعْرِفُونَهُ كَمَا يَعْرِفُونَ أَبْنَاءهُمْ وَإِنَّ فَرِيقاً مِّنْهُمْ لَيَكْتُمُونَ الْحَقَّ وَهُمْ يَعْلَمُونَ
الْحَقُّ مِن رَّبِّكَ فَلاَ تَكُونَنَّ مِنَ الْمُمْتَرِينَ
 
Allah, de Verhevene, laat weten dat het vaststaat bij de Lieden van het Boek dat Mohammed (vrede zij met hem) een ware Boodschapper is en dat zijn Boodschap waarheid is. Hun herkenning van deze Waarheid is te vergelijken met de herkenning die zij hebben van hun eigen kinderen. Niemand kan beweren dat hij zijn kinderen niet uit elkaar weet te halen. Dus de wetenschap die zij hebben van Mohammed (vrede zij met hem) is van zo een niveau dat er geen plaats meer is voor twijfel. Toch heeft de meerderheid van hen geweigerd in hem te geloven en de Waarheid verdoezeld. Dit terwijl zij beter weten.
 
Op de geleerden rust de plicht om de Waarheid te verkondigen, deze zo duidelijk mogelijk aan de man te brengen en de valsheid onderuit te halen. Dit terwijl degenen die in dit vers worden genoemd, juist de zaken hebben omgedraaid. Dit behoort namelijk tot de grootste vorm van onrecht, zoals Allah hier aangeeft. Daarna laat Allah weten dat de Waarheid afkomstig is van Allah en niet verborgen gehouden kan worden vanwege de baatvolle zaken, reiniging van de zielen, verwerping van de verdorvenheden en betrachting van goedertierenheid die daarmee gepaard gaat. Deze Waarheid behoort aan Allah toe Die dit Boek aan jou (O Mohammed) heeft geopenbaard. Een Boek dat bedoeld is als opvoeding van ziel en geest en als bron van goedheid. Dus stel je niet twijfelachtig op tegenover dit Boek, maar denk erover na en betracht daarmee het bereiken van de hoogste overtuiging.
 
Leraar: Aboe Ismail
Locatie: Moskee as-Soennah