|
06:18
Den Haag | Fadjr
gebedstijdMiddel 13gebedstijd
Middel 7
06:18
Middel 6
08:19
Middel 5
12:39
Middel 2
14:22
Middel 4
16:43
Middel 3
18:37
Alle gebedstijden
Bespotten van de hoofddoek

Vraag:

Wat is het oordeel over degene die een vrouw bespot vanwege het dragen van de correcte islamitische Hidjaab en het bedekken van haar handen en gezicht?

Antwoord:

Alle lof zij Allah.

Wie een moslimman of -vrouw belachelijk maakt vanwege zijn of haar naleving van de Islamitische Shariecah (wetgeving) is een ongelovige. Ongeacht of diegene een moslimvrouw bespot voor het dragen van een correcte islamitische Hidjaab of om een andere reden. cAbdoellaah ibn cOmar (moge Allah met hen beide tevreden zijn) overleverde dat een man gedurende de slag van Taaboek zei: “Ik heb nooit iets gezien zoals onze Koran reciteurs. Zij hebben de grootste buiken, de meest leugenachtige tongen en zij zijn de meest lafhartige in de ontmoeting met van de vijand.” Een andere man zei: “Jij liegt en jij bent een hypocriet. Ik zal (dit) zeker aan de Profeet (vrede zij met hem) vertellen.” Hij vertelde het de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) en vervolgens werden er Koranverzen geopenbaard. cAbdoellah ibn cOmar zei: “Ik heb hem (die man) hangend gezien aan de zadel van de vrouwtjeskameel van de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem), struikelend over de stenen en hij (de Profeet vrede zij met hem) zei (interpretatie van de betekenis):

“En als jij hen (hierover) vraagt, zeggen zij zeker: “Wij waren slechts aan het spotten en (onszelf) aan het vermaken.” Zeg: “Waren jullie Allah, Zijn Teken en Zijn Boodschappers aan het bespotten?” Verontschuldig jullie zelf niet. Voorzeker, jullie zijn ongelovig geworden, nadat jullie gelovig waren. Als Wij een groep van jullie vergeven, dan zullen Wij een (andere) groep bestraffen, omdat zij misdadigers waren.”

(Soerat at-Tawbah: 65-66)

Het bespotten van de gelovigen is gelijk aan het bespotten van Allah, Zijn Verzen en Zijn Boodschapper.

En Allah is de Bron van alle kracht.

Al-Ladjnat ud-Daa’imah,
(al-Fataawa al-Djaamicah lil-Mar’at il-Moeslimah, boekdeel 3, blz. 813)