Vraag:
Zal de Doeʿaa’ (smeekbede) die op de dag van ʿArafah wordt verricht door degenen die geen Hadj verrichten, verhoord worden?
Antwoord:
Alle lof zij Allah. En vrede en zegeningen zij met de Boodschapper van Allah.
Beste Doeʿaa’ (smeekbede) op de dag van ʿArafah
ʿAa’ishah (moge Allah tevreden met haar zijn) heeft overgeleverd dat de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) heeft gezegd: “Er is geen dag waarop Allah meer van Zijn dienaren vrijwaart van het Vuur dan de dag van ʿArafah. Hij komt dichterbij en uit Zijn Trots tegen Zijn Engelen, zeggende: “Wat willen deze mensen?”
(Moeslim)
ʿAbdoellah ibn ʿAmr ibn ul-ʿAas (moge Allah tevreden met hem zijn) heeft overgeleverd dat de Profeet (vrede zij met hem) heeft gezegd: “De beste Doeʿaa’ (smeekgebed) is het smeekgebed op de dag van ʿArafah. En het beste dat ik en de Profeten voor mij hebben gezegd is: “Laa ilaaha illAllaahoe wahdahoe laa shariekalah, lahoel-Moelk wa lahoel-Hamd wa hoewa ʿalaa koelli Shay’in Qadier.” (Er is geen ware god dan Allah, Hij is de Enige -Ware God-, geen deelgenoot heeft Hij. Het Koninkrijk behoort tot Hem en alle lof komt Hem toe en Hij is tot alles in staat.)
(at-Tirmidhie)
Talhah ibn ‘Ubayd ibn Kurayz heeft in een Moersal-overlevering 1 overgeleverd: “De beste Doeʿaa’ (smeekgebed) is het smeekgebed op de dag van ʿArafah”.
(Maalik in al-Moewatta’; hasan verklaard door al-Albaanie)
De deugd van Doeʿaa’ (smeekbede) op de dag van ʿArafah; alleen voor bedevaartgangers?
De geleerden verschillen van mening over deze deugd van Doeʿaa’ op de dag van ʿArafah: geldt dit alleen voor degenen die zich op ʿArafah bevinden of omvat het ook andere plaatsen?
De meest correcte mening is dat het algemeen geldt en dat de deugd verbonden is aan de dag zelf. Maar zonder twijfel hebben degenen die zich op ʿArafah bevinden zowel de deugd van de plaats als de deugd van de tijd gecombineerd.
Al-Baadjie (moge Allah genadig met hem zijn) zei: “De woorden ‘De beste Doeʿaa’ (smeekgebed) is het smeekgebed op de dag van ʿArafah’ betekenen de Dhikr met de meeste zegeningen, de grootste beloning en hetgeen het meest waarschijnlijk verhoord wordt.
Het kan uitgelegd worden als specifiek betrekking hebbend op de bedevaartgangers, omdat de betekenis van Doeʿaa’ op de dag van ʿArafah in hun geval het duidelijkst naar voren komt en in het bijzonder op hen van toepassing is. Maar als de dag van ʿArafah in algemene zin wordt beschouwd, dan wordt deze zo omschreven vanwege de aanwezigheid van de bedevaartgangers daar. En Allah weet het beste.”
(al-Moentaqaa ash-Sharh al-Moewatta’, boekdeel 1, blz. 358)
Het is overgeleverd dat sommige van de salaf “at-Taʿrīef” toegestaan beschouwden. Dit is het samenkomen in de moskeeën op de dag van ʿArafah om Doeʿaa’ te verrichten en Allah te gedenken (dhikr). Onder degenen die dit deden was Ibn ʿAbbaas (moge Allah tevreden met hem zijn). Ook Imam Ahmad achtte dit toegestaan, hoewel hij het zelf niet deed.
Ibn Qoedaamah (moge Allah genadig met hem zijn) heeft gezegd: ‘Al-Qaadi zei: “Er is niets mis met ‘at-Taʿrīef’: het samenkomen in de namiddag van de dag van ʿArafah in andere gebieden (dus niet op ʿArafah zelf).”
Al-Athram zei: “Ik vroeg Aboe ʿAbdoellah (oftewel Imam Ahmad) over ‘at-Taʿrīef’ in andere gebieden, waarbij mensen op de dag van ʿArafah samenkomen in de moskeeën. Hij antwoordde: ‘Ik hoop dat daar niets mis mee is, aangezien meer dan één persoon dit heeft gedaan.’”
Al-Athram overleverde dat al-Hasan zei: “De eerste die at-Taʿrīef’ in Basra deed was Ibn ʿAbbaas (moge Allah tevreden met hem zijn).”
Ahmad zei: “De eersten die dit deden waren Ibn ʿAbbaas en ʿAmr ibn Hoerayth.”
Al-Hasan, Bakr, Thaabit en Mohammad ibn Wasi’ bezochten op de dag van ʿArafah de moskee. Ahmad zei: “Daar is niets mis mee; het is slechts Doeʿaa’ en het gedenken van Allah (Dhikr).” Er werd tegen hem gezegd: “Doet u dit zelf?” Hij antwoordde: “Wat mij betreft niet.”
En er werd overgeleverd dat Yahya ibn Maʿien op de middag van ʿArafah samen met de mensen de moskee bezocht.”’
(al-Moeghnie, boekdeel 2, blz. 129)
Dit wijst erop dat zij van mening waren dat de deugd van de dag van ʿArafah niet uitsluitend van toepassing is op de bedevaartganger.
Aangezien het samenkomen in de moskeeën op de dag van ʿArafah om Allah te gedenken en Doeʿaa’ te verrichten niet is overgeleverd van de Profeet (vrede zij met hem’, deed Imam Ahmad het daarom zelf niet. Toch stond hij het toe en verbood hij het niet. Dit omdat is overgeleverd dat sommige van de metgezellen dit deden, zoals Ibn ʿAbbaas en ʿAmr ibn Hoerayth (moge Allah tevreden met hen zijn).
En Allah weet het het beste.
Islamqa.com
1. Een Moersal-overlevering is overgeleverd door een Taabiʿie en niet door een metgezel.