|
12:39
Den Haag | Dhoehr
gebedstijdMiddel 13gebedstijd
Middel 7
06:18
Middel 6
08:19
Middel 5
12:39
Middel 2
14:22
Middel 4
16:43
Middel 3
18:37
Alle gebedstijden
De pilaren van de geloofsgetuigenis – Deel 2

4.     Naleving. De geloofsgetuigenis heeft alleen zin als de persoon de regels ervan naleeft. Dit betekent dat de persoon zich onderwerpt aan datgene wat God van hem vraagt. Allah zegt (interpretatie van de betekenis):

“En keer berouwvol terug naar jullie Heer en onderwerp julliezelf aan Hem…”

(Soerat az-Zoemar: 54)

“En wie zijn gezicht onderwerpt aan Allah en een weldoener is, voorzeker, hij heeft de meest krachtige houvast gegrepen.”

(Soerat Loeqmaan: 22)

Het naleven van de geloofsgetuigenis slaat ook op de Soennah van de Profeet. Wie voor de Islam kiest, kiest ook voor Mohammed als voorbeeld en als leraar. Allah zegt (interpretatie van de betekenis):

“Maar nee, bij jouw Heer! Zij zullen niet geloven totdat zij jou (o Mohammed) tussen hen laten oordelen over hun geschillen, en vervolgens geen enkele vorm van weerstand in zichzelf ondervinden tegen datgene wat jij oordeelt en zij zich (daaraan) volledig overgeven.”

(Soerat an-Nisaa’: 65)

5.     Waarachtigheid. De tegenhanger hiervan is verloochening. De Profeet (vrede zij met hem) zegt: “Wie ‘Laa ilaaha illAllaah’ oprecht vanuit zijn hart zegt, zal het Paradijs binnentreden.”

(Ahmad)

De persoon die de woorden uitspreekt en de strekking verloochent, wordt niet als moslim beschouwd. Allah zegt (interpretatie van de betekenis):

“Wanneer de hypocrieten naar jou (o Mohammed) toe komen, (dan) zeggen zij: “Voorwaar, wij getuigen dat jij zeker de Boodschapper van Allah bent.” En waarlijk, Allah weet dat jij zeker Zijn Boodschapper bent. En waarlijk, Allah getuigt dat de hypocrieten zeker leugenaars zijn.”

(Soerat al-Moenaafiqoen: 1)

“En onder de mensen zijn er (sommigen) die zeggen: “Wij geloven in Allah en de Laatste Dag”, terwijl zij (eigenlijk) niet geloven.”

(Soerat al-Baqarah: 8)

6.     Oprechtheid. De tegenhanger hiervan is Shirk (afgoderij). Allah zegt (interpretatie van de betekenis):

“…dus aanbid (alleen) Allah door de godsdienst (zuiver) aan Hem toe te wijden. Weet dat de zuivere godsdienst alleen aan Allah toebehoort.”

(Soerat az-Zoemar: 2-3)

“Zeg (o Mohammed): “Voorwaar, mij is opgedragen om (alleen) Allah te aanbidden, door de godsdienst (zuiver) aan Hem toe te wijden. En mij is opgedragen om de eerste te zijn van de moslims.” Zeg (o Mohammed): “Voorwaar, ik vrees de Bestraffing van de geweldige Dag als ik mijn Heer ongehoorzaam ben.” Zeg (o Mohammed): “Ik aanbid (alleen) Allah, door mijn godsdienst (zuiver) aan Hem toe te wijden.”

(Soerat az-Zoemar: 11-14)

Ook zei de Profeet (vrede zij met hem): “De persoon die het meeste recht heeft op mijn voorspraak is degene die ‘Laa ilaaha illAllaah’ oprecht vanuit zijn hart zegt.”

(al-Boekhaarie)

Ikhlaas betekent dat de aanbidding slechts voorbehouden is aan Allah. Niets daarvan wordt aan een ander toebedeeld. Zelfs niet aan een vooraanstaande Engel of Profeet. Ook in het volgen van de Profeet Mohammed moet de persoon oprechtheid nastreven door de aanbidding volgens zijn voorbeeld te verrichten.

7.     Liefde. De tegenhanger van liefde is haat. De moslim wordt geacht om liefde te betrachten ten opzichte van Allah en Zijn Boodschapper. Ook moet hij houden van alle daden en uitspraken waarmee de Islam is gekomen. Als deze liefde correct is, dan zullen de sporen daarvan ook af te lezen zijn van iemands gedrag. Hij zal vol overgave en toewijding zijn geloof belijden. Hij zal de zoetheid van het geloof proeven en zich haasten naar de gehoorzaamheid aan Allah. Ook zal hij de zonden mijden, zelfs als hij van binnen verlangt naar deze zonden. Hij weet namelijk dat de Hel omgeven wordt door zaken waarnaar de dienaar verlangt, en het Paradijs door zaken die de dienaar schuwt. Allah zegt (interpretatie van de betekenis):

“Zeg (o Mohammed): “Als jullie (werkelijk) van Allah houden, volg mij dan; Allah zal (dan) van jullie houden en jullie zonden vergeven. En Allah is Meest Vergevingsgezind, Meest Genadevol.”

(Soerat Aali cImraan: 31)