|
18:38
Den Haag | cIshaa
gebedstijdMiddel 13gebedstijd
Middel 7
06:17
Middel 6
08:17
Middel 5
12:38
Middel 2
14:23
Middel 4
16:44
Middel 3
18:38
Alle gebedstijden
kwestie 99: Hun blik op het wereldse leven was een blik vol verwondering

Het wereldse leven nam in hun harten een vooraanstaande plaats in, zoals valt op te maken uit hun volgende uitspraak (interpretatie van de betekenis):

“Was deze Koran maar geopenbaard aan één van de vooraanstaande mannen uit de twee steden.”                                                                                                      (Soerat az-Zoekhroef: 31)

Uitleg

Tot de kwesties van de Djaahiliyyah behoort het feit dat het wereldse leven een vooraanstaande plaats  bij hen inneemt. Degene die veel wereldse bezittingen heeft, is bij hen edelmoedig en degene die weinig wereldse bezittingen heeft is laag en nietsbetekenend. Zelfs bij de Profeetschap – wat een keuze is van Allah, de Verhevene – zagen zij het als vanzelfsprekend dat dit zou toekomen aan de rijken en niet aan de armen, zij pleegden te zeggen: “Heeft Allah niemand anders gevonden voor Zijn Boodschap dan de wees van Aboe Taalib.” En hiermee bedoelden ze Mohammed (vrede zij met hem). Vandaar dat zij pleegden te zeggen (interpretatie van de betekenis):

“Was deze Koran maar geopenbaard aan één van de vooraanstaande mannen uit de twee steden.”                                                                                                      (Soerat az-Zoekhroef: 31)

De twee steden waren Mekka en Taa’if en één van deze (vooraanstaande) mannen uit Mekka was ofwel al-Walied ibnoel Moeghierah of Habieb ibnoe cAmr ath-Thaqafi. En uit Taa’if betrof het cOerwah ibnoe Mascoed. Zij zeiden: “Als de Profeetschap nu aan één van deze twee mannen was gegeven, dan zou dit gepaster zijn geweest voor de Profeetschap.” Dat de Profeetschap daarentegen was gegeven aan een arme wees, en dit is natuurlijk Mohammed (vrede zij met hen), was volgens hen geheel onlogisch. Allah, de Verhevene, zegt (interpretatie van de betekenis):

“Zijn zij degenen die de Barmhartigheid van jouw Heer verdelen?”         (Soerat az-Zoekhroef: 32)

Oftewel, bemoeien zij zich met de Daden van Allah en wensen zij de Barmhartigheid van Allah te verdelen? Hebben zij dan geen enkele vertrouwen in de verdeling van Allah?

“Allah weet beter waar Hij Zijn Boodschap plaatst.”                                                                                                                                                (Interpretatie van de betekenis Soerat al-Ancaam: 124)